NGV-Geonieuws 8 artikel 99

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Juni 2000, jaargang 2 nr. 2 artikel 99

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 8! Op de huidige pagina is alleen artikel 99 te lezen.

<< Vorig artikel: 98 | Volgend artikel: 100 >>

99 Een slang met poten
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Bij Ein Yabroed - ca. 20 km ten noorden van Jeruzalem is een bijzondere fossiele slang uit het begin van het Laat-Krijt (95 miljoen jaar geleden) gevonden. Dit fossiel lijkt de langdurige controverse over de evolutionaire ontwikkeling van deze diergroep te beslechten. De slang vertoont namelijk duidelijke (zij het gereduceerde) achterpoten, waarin scheenbeen, kuitbeen, voetwortelbeentjes, middenvoetbeentjes en teenkootjes goed zijn te onderscheiden. De nieuwe soort (ook een nieuw geslacht), die de naam Haasiophis terrasanctus (naar het Heilige Land) heeft gekregen, vertoont volgens de onderzoekers veel meer overeenkomst met moderne landslangen zoals de python en de boa dan met uitgestorven reptielen die in het water leefden, zoals de ook uit Nederland bekende Mosasaurus. Daarmee lijkt het veel waarschijnlijker dat de slangen - zoals door veel paleontologen en biologen al werd verondersteld - geŽvolueerd zijn uit tetrapoden dan - zoals door anderen werd aangenomen - uit mariene reptielen.

Met de nieuwe vondst kan ook worden vastgesteld dat een andere fossiele slang, ook uit het Krijt en nog iets ouder dan Haasiophis terrasanctus, die de naam Pachyrachis problematicus had ontvangen (de poten van deze soort werden door de vinders ervan problematisch geacht), geen uitzondering is geweest. Kennelijk hebben slangen in het begin van hun evolutie poten gehad, die geleidelijk steeds verder zijn gereduceerd; momenteel beschikken pythons en enkele andere primitieve slangen nog steeds over kleine klauwachtige uitsteeksels, die ze tijdens paringsrituelen maar ook tijdens gevechten van mannetjes onderling gebruiken.

De twee slangensoorten uit het Krijt maken het, samen met hun jongere verwanten, nu mogelijk om de evolutionaire ontwikkeling duidelijker in kaart te brengen. Volgens een commentaar op het artikel kunnen er overigens op basis van de huidige gegevens nog steeds twee mogelijke ontwikkelingen worden onderscheiden. In beide gaat het echter om een ontwikkeling vanuit op het land levende voorouders, waaruit zich deels groepen ontwikkelden die weer naar het water terugkeerden (zoals de mosasauriŽrs); ook Pachyrachis was overigens een in het water levend geslacht. Interessant is overigens ook de hypothese dat de vroegste slangachtigen al hun achterpoten 'verloren', maar dat die bij enkele soorten (in feite de ene groep waartoe Haasiophis en Pachyrachis behoren) weer zijn 'terugontwikkeld'. Omdat deze groep geen nog bestaande nakomelingen heeft, zou dat mede verklaren waarom slangen momenteel geen achterpoten meer hebben of (soms) in een zodanig gereduceerde vorm dat ze normaliter niet te zien zijn.

De schedel van Haasiophis is in groot detail bewaard gebleven. Mede op basis daarvan hopen de onderzoekers nog meer details te halen die kunnen bijdragen aan het inzicht in de evolutie van de slangen.

Referenties:
  • Greene, H.W. & Cundall, D., 2000. Limbless tetrapods and snakes with legs. Science 287, p. 1939-1941.
  • Tchernov, E., Rieppel, O., Zaher, H., Polcyn, M.J. & Jacobs, L.L., 2000. A fossil snake with limbs. Science 287, p. 2010-2012.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Slang op pootjes duidt op evolutionaire link met terapoden' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (1 april 2000).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl