NGV-Geonieuws 155 artikel 995

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


12 December 2008, jaargang 10 nr. 12 artikel 995

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

Dit artikel is onderdeel van NGV-Geonieuws uitgave 155! Op de huidige pagina is alleen artikel 995 te lezen.

<< Vorig artikel: 994 | Volgend artikel: 996 >>

995 Barnsteen uit Krijt bevat mariene microfossielen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !     Klik hier om dit artikel af te drukken !

Barnsteen is het verharde equivalent van hars. Vooral coniferen produceren veel hars, al zijn er ook andere boomsoorten die dat doen. Hoewel er ook bomen in moerassige gebieden zijn die hars produceren, is daar nauwelijks iets fossiel van terug te vinden; er zijn slechts enkele voorbeelden bekend van hars met fossielfragmenten van organismen die in een meertje leefden. Bijna alle insluitsels in hars zijn typisch terrestrisch.


Een foraminifeer uit de barnsteen
(© Laboratoire Geosciences Rennes)


Een diatomee uit de barnsteen
(© Laboratoire Geoscince Rennes)


Het komt daarom als een verrassing dat er nu in barnsteen uit Frankrijk mariene organismen zijn aangetroffen. Het gaat om microorganismen van uiteenlopende aard die alle deel uitmaakten van plankton: vooral veel stekels van sponzen, veel diatomeeŽn (eencellige algen, dus plantaardig plankton), betrekkelijk veel radiolariŽn (dierlijk plankton), een foraminifeer (ook behorend tot het dierlijk plankton) en de stekel van een stekelhuidige (echinoderm) in het larvale stadium. De barnsteen waarin deze organismen werden aangetroffen, dateert van 100-98 miljoen jaar geleden (Laat-Albien en het Vroeg-Cenomanien), en werd aangetroffen in de Charente (Zuid-West Frankrijk). Er is overigens geen sprake van een kwantitatief enorme hoeveelheid mariene fossielen: van de vele duizenden stukken barnsteen die de onderzoekers bekeken, waren er slechts enkele die marien plankton bevatten. De overige stukken bevatten soms geen fossielen, maar gewoonlijk de normale terrestrische fossielen die barnsteen kenmerken.


De diatomee Hemiaulus was de meest frequent
gevonden diatomee


De diatomee Paralia in de barnsteen vormt lange
en licht(?) gebogen kolonies


Een paar soorten van de mariene diatomeeŽn waren alleen van soms enkele tientallen miljoenen jaren later bekend. Dat betekent dat er nu meer bekend geworden is over het mariene plankton dat gedurende het middelste gedeelte van het Krijt de zeeŽn bevolkte ter plaatse van wat destijds een kustgebied moet zijn geweest. Bovendien wordt door de bevinding dat bepaalde soorten al veel eerder op aarde voorkwamen dan tot nu toe werd aangenomen, meer bekend over de evolutionaire geschiedenis van de diatomeeŽn, die - zoals ook blijkt uit de moleculaire fylogenie van recente diatomeeŽn - uitermate complex moet zijn.

Het meest intrigerende van de vondst is echter natuurlijk de vraag hoe marien plankton in de barnsteen terecht kan zijn gekomen. Er is nauwelijks een proces te bedenken waardoor hars in zee terecht komt en daar plankton kan invangen. Het moet immers gaan om verse, nog kleverige hars. Wellicht dat een enkele keer druppels hars afvielen van de takken van een dennenboom die langs de rand van een steil zeeklif groeide, en waarvan de takken over zee heenhingen, maar de kans dat zoiets gebeurt is uitermate klein; de kans dat zo'n druppel - inmiddels tot barnsteen verhard - hars wordt gevonden, lijkt zelfs ondenkbaar klein. Dat een degelijk proces zou hebben geleid tot de vondst van diverse stukken barnsteen met een ingesloten mariene microfauna, moet daarom praktisch uitgesloten worden geacht.


Stekels van sponzen waren de meest
aangetroffen mariene fossielen in de barnsteen


Een bos in Nieuw-CaledoniŽ, dat volgens de
onderzoekers het recente milieu is dat het
meest overeen lijkt te komen met het bos
waaruit de barnsteen afkomstig is


De onderzoekers komen echter toch met een aannemelijke verklaring. Ze opperen zelfs twee mogelijkheden. De eerste is dat uit (relatief warm) zeewater opstijgende damp (zeemist) in de minieme waterdruppeltjes marien plankton meevoerde, en dat mistflarden door de wind een dennenbos werden ingedreven, waarbij sommige waterdruppeltjes (met mariene microorganismen) door hars werden ingevangen. Een tweede mogelijkheid - maar er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat dergelijke omstandigheden destijds het geval waren - is dat de zee bij zware storm en/of springtij een dennenbos langs de kust overstroomde. Hoe het ook zij, er moet een dennenbos vlak langs de kust hebben gelegen. Een voorbeeld van een plaats waar de genoemde processen ook nu zouden kunnen plaatsvinden, is de kust van Nieuw-CaledoniŽ.

Referenties:
  • Girard, V., Schnidt, A.R., Saint Martin, S., Struwe, S., Perrichot, V., Saint Martin, J.-P., Grosheny, D., Breton, G. & Nťraudeu, D., 2008. Evidence for marine microfossils from amber. Proceedings of the National Academy of the United States of America 105, p. 17426-17429.

Fotoís welwillend ter beschikking gesteld door Vincent Girard, Universitť de Rennes 1, Rennes (Frankrijk).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl