NGV-Geonieuws 10

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2001, jaargang 3 nr. 1

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 116 Nederlander president van de IUGS
  • 117 El Niño was al 17.500 jaar geleden actief
  • 118 Belgisch eredoctoraat voor Jacques Touret
  • 119 Dinosauriërs nestelden in waddengebied
  • 120 Merkwaardige diepzeeschoorstenen ontdekt
  • 121 Uitsterven van reuzenhert vond pas plaats in Holoceen
  • 122 Bouwstenen voor leven mogelijk in heelal ontstaan
  • 123 Periodieke instabiliteit van ijskap op Antarctica
  • 124 Bijzondere leerstoel Toegepaste Geofysica aan VU
  • 125 'Begraven' onderzeese vulkaan beïnvloedt aardbevingen
  • 126 Identificatie van 'conflict-diamanten' voorgesteld
  • 127 Tand van fossiele reuzenvampier wijst op temperatuurstijging
  • 128 Inslagen van meteorieten deden aarde niet branden
  • 129 Half miljard jaar geleden was er al chemoautotrofe symbiose
  • 130 Getuigen van tsoenami in 1456
  • 131 Asfaltweg toont vorming van geologische bekkens

    << Vorige uitgave: 9 | Volgende uitgave: 11 >>

116 Nederlander president van de IUGS
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Prof. Dr. Ed F.J. de Mulder, hoofd van de Afdeling Geo-Milieu van TNO-NITG, is op het 31e Internationale Geologische Congres gekozen tot President van de International Union of Geological Sciences (IUGS). Dit internationale orgaan, dat het beste kan worden omschreven als een overkoepelende organisatie van professionele geologische verenigingen, vertegenwoordigt meer dan 220.000 geologen uit vrijwel alle landen ter wereld.

De IUGS stelt zich ten doel om wetenschappelijke ontwikkelingen binnen de geologie te bevorderen, en om de verkregen aardwetenschappelijke kennis op zo ruim mogelijke schaal binnen de samenleving toe te passen. Daarbij valt onder meer te denken aan het beperken van het aantal slachtoffers en van materiële schade na natuurrampen zoals aardbevingen, modderstromen en vulkaanuitbarstingen; dit zijn processen die jaarlijks gemiddeld honderden doden eisen en vele miljarden guldens schade veroorzaken. Andere toepassingen van de verkregen aardwetenschappelijke kennis liggen in de opsporing van grondstoffen zoals olie, gas en mineralen, alsmede van het steeds schaarser wordende water voor de drinkwatervoorziening, irrigatie, etc.

Sinds eind november is het secretariaat van de IUGS gevestigd bij de Geologische Dienst van Noorwegen, in Trondheim. Het secretariaat is ook te bereiken per telefoon (00-47-73-904040), fax (00-47-73-502230) en e-mail (IUGS.secretariat@ngu.no). Ed de Mulder, die naast zijn werk op TNO-NITG deeltijdhoogleraar is aan de Technische Universiteit Delft (met als leeropdracht bodembeheer), is op TNO-NITG bereikbaar onder telefoonnummer 030-2564676, en via e-mail (e.demulder@nitg.tno.nl).

Referenties:
  • Anonymus, 2000. Ed de Mulder voorzitter van de wereldwijde geologen verenigingen IUGS. TNO-NITG In formatie (editie grondwater en bodem) 7, p.28.

117 El Niño was al 17.500 jaar geleden actief
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !

Dat El Niño, de golfstroom die eens per zoveel jaar zorgt voor aanzienlijke weersveranderingen in grote delen van de wereld, niet samenhangt met de mondiale opwarming die sinds het begin van de industriële mogelijk plaatsvindt, was al bekend. Sommige onderzoekers meenden echter dat hij - direct of indirect - samenhangt met de opwarming van het klimaat die plaatsvond na de laatste ijstijd (die zo’n 10.000 jaar geleden eindigde). Nu zijn echter duidelijke aanwijzingen gevonden dat deze invloedrijke golfstroom al zo’n 17.500 jaar actief is.

Amerikaanse onderzoekers komen tot die conclusie op basis van hun onderzoek naar warven. Dat zijn laagjes die werden afgezet in meren voor de landijskap. In de zomers werd daarin zand en slib aangevoerd door smeltwaterstromen. Het zand bezonk, maar turbulentie in het water zorgde ervoor dat de fijnere deeltjes in suspensie bleven. Tot de winter, want door de ijslaag die dan de meren bedekte, kon ook het fijnere materiaal geleidelijk bezinken. Zo ontstond ieder jaar een laagje dat van onderen relatief grof is, en dat naar boven toe steeds fijnkorreliger is. Dergelijke warven vormen dan ook een soort kalender met 'jaarlaagjes'. Omdat in warmere jaren meer smeltwater ontstaat, en omdat een grotere hoeveelheid smeltwater ook meer sedimentdeeltjes kan meevoeren, worden in warmere jaren dikkere warven opgebouwd. Op die wijze vormen de warven ook een - ruwe - weerspiegeling van de jaarlijkse temperatuurfluctuaties.

Het onderzochte pakket (in het noordoosten van de Verenigde Staten) beslaat zo’n 4000 jaar; het kon worden gedateerd als ca. 17.500-13.500 jaar oud. Dat betekent dat het pakket werd afgezet toen de laatste ijstijd een periode van maximale ijsuitbreiding meemaakte als gevolg van een 'koudepiek'; de zogeheten Laurentide ijskap, die Canada en een deel van de Verenigde Staten bedekte, was toen tot vlak bij het onderzoekgebied doorgedrongen. Het pakket is geheel opgebouwd uit warven; die vertonen wat betreft hun dikte duidelijk een soort cyclus. Die cyclus, die in bijna alle gevallen een drie- tot vijfjarige periode van temperatuurfluctuaties reflecteert - ongeveer gelijk aan die van El Niño - wordt door de onderzoekers toegeschreven aan een golfstroom die zou kunnen worden beschouwd als een voorloper van El Niño. Opvallend is dat het effect van deze vroege El Niño omstreeks 13.500 jaar geleden minder sterk werd. Het afwisselen van langere perioden met en zonder duidelijke klimaatfluctuaties is overigens een verschijnsel dat ook in historische tijden deze golfstroom heeft gekenmerkt.

De aanwijzingen voor deze vroege El Niño zijn verrassend, want bij eerder onderzoek, onder meer in een tropisch meer (in Ecuador) werden geen aanwijzingen voor dergelijke temperatuurfluctuaties gevonden. Dat is mogelijk toe te schrijven aan het feit dat in Ecuador het effect van El Niño minder sterk is dan in het onderzoeksgebied in New England; alleen de sterkste uitschieters zouden daarom in Ecuador 'gefossiliseerd' kunnen zijn.

Voor de huidige klimaatmodellen is het uiteraard van groot belang dat nu het gedrag van deze merkwaardige golfstroom over langere tijd is vastgesteld. Dat kan voorspellingen over de invloed ervan op ons klimaat alleen maar betrouwbaarder maken.

Referenties:
  • Kerr, R.A., 2000. Viable but variable El Niño spied. Science 288, p. 945.
  • Rittenour, T.M., Brigham-Grette, J. & Mann, M.E., 2000. El Niño-like climate teleconnections in New England during the Late Pleistocene. Science 288, p. 1039-1042.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Variaties in warven wijzen op een El Niño van 17.500 jaar oud' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (3 juni 2000).

118 Belgisch eredoctoraat voor Jacques Touret
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Prof. Dr. Jacques L.R. Touret, die tot 1 februari j.l. als hoogleraar ertskunde, mineralogie en petrologie verbonden was aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, zal op 29 maart een eredoctoraat ontvangen van de Universiteit van Luik. Dat is, vlak na zijn emeritaat, een bekroning van zijn wetenschappelijk werk, dat vooral baanbrekend was op het gebied van de vloeibare en smeltinsluitsels in petrologische systemen, waardoor een beter inzicht is ontstaan in de chemische kringloop en het ontstaan van gesteenten en ertsen.

Touret heeft in 1971 twee belangrijke publicaties geschreven in het tijdschrift Lithos, en is ook gedurende diverse jaren als hoofdredacteur aan dat tijdschrift verbonden geweest. Als erkenning voor zowel dat redacteurschap als zijn wetenschappelijke bijdragen heeft Lithos een dik (321 blz.) speciaal nummer uitgegeven met werk van Touret zelf en van diverse van zijn medewerkers. In een editorial wordt uitgebreid aandacht besteed aan het leven en de wetenschappelijke bijdragen van Touret.

Referenties:
  • Andersen, T., Frezotti, M.-L. & Burke, E.A.J., 2001. A tribute to Jacques Touret. Lithos 55, p. ix-xi.

119 Dinosauriërs nestelden in waddengebied
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Een bijzonder nest met dinosauruseieren bewijst dat sommige soorten dinosauriërs hun leven deels op het land, deels in het water moeten hebben doorgebracht, op een wijze die veel overeenkomt met die van de huidige krokodillen en alligators. Het nest werd door Spaanse onderzoekers aangetroffen in de Formatie van Tremp in de Spaanse provincie Lleida; deze gesteenten uit het Laat-Krijt zijn ook langdurig het werkterrein geweest van Nederlandse geologen. Nesten met dinosaurus-eieren zijn in betrekkelijk grote aantallen gevonden. In dit geval gaat het echter om een nest met bijzondere karakteristieken, uit een voor dinosauriërs tot nu toe onbekend leefmilieu, en met voor eieren bijzondere - aan dat milieu aangepaste - karakteristieken.

In de eerste plaats gaat het niet om een nest dat, zoals andere dinosaurusnesten, bestond uit een kuil in de grond. De zeven aangetroffen eieren (elk zo’n 25 cm lang en 18 cm dik) staan namelijk met hun lange as rechtop. Dat betekent dat er een zacht substraat moet zijn geweest. Mede op basis van enkele andere kenmerken concluderen de Spaanse onderzoekers dat het

De eieren zijn gelegd op een hoop plantaardig materiaal dat op de grond was opgebouwd. Dat impliceert dat het nest met de eieren boven de directe omgeving uitstak en dus goed zichtbaar moet zijn geweest. Dat lijkt alleen aannemelijk als het om een leefmilieu ging waarin geen eierrovers voorkwamen.

Dergelijke milieus zijn schaars. Op basis van de geologische karakteristieken en de rondom het nest in de gesteenten aangetroffen fossielen interpreteren de onderzoekers het milieu als een wad-achtig gebied - misschien deels lagunair - waarin het nest zich op de modderige bodem bevond in de overgangszone naar een kwelder (de kwelders lopen alleen bij springtij of stormvloed onder). Een dergelijk milieu, met zijn modderige bodem, bood zonder twijfel destijds aanzienlijke bescherming, mede omdat vogels nog niet of nauwelijks tot ontwikkeling waren gekomen.

De eierschalen (2,3-3,2 mm dik) ondersteunen het beeld van een waterrijk milieu. Ze vertonen namelijk een groot aantal (120-150 per vierkante centimeter) vrijwel ronde poriën. Dergelijke porie-rijke eierschalen zijn ongewoon voor nesten die zijn blootgesteld aan de lucht, omdat door het stelsel van poriën gemakkelijk zoveel vocht kan ontsnappen dat het zich ontwikkelende broedsel uitdroogt. Dergelijke poriën zijn dan ook alleen te verklaren in een milieu waar de lucht voortdurend (vrijwel) met water verzadigd is. Bovendien vertonen de kanaaltjes van de poriën veel onderlinge dwarsverbanden, wat uitwisseling met de lucht bevordert. Dit wijst erop dat er eerder gevaar voor verstikking bestond dan voor uitdroging. Dat verstikkingsrisico zou een gevolg kunnen zijn van slib dat zich op delen van het ei kan afzetten na een overstroming.

Het gevonden dinosaurus nest is daarmee niet alleen uitzonderlijk van aard, maar geeft bovendien aan dat tenminste 1 soort een grotendeels uit water bestaand milieu bewoonde.

Referenties:
  • López-Martínez, N., Moratalla, J.J. & Sanz, J.L., 2000. Dinosaurs nesting on tidal flats. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 160, p. 153-163.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Bijzonder nest wijst op dinosauriërs in waterrijk milieu' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (17 juni 2000).

120 Merkwaardige diepzeeschoorstenen ontdekt
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !

Onderzoekers aan boord van de onderzoeksonderzeeër Atlantis hebben, tijdens hun onderzoek naar een 3600 m hoge berg op de bodem van de Atlantische Oceaan een gebied ontdekt waar tal van tientallen meters (tot 60 m) hoge schoorstenen staan. De onderzoekers hebben het gebied inmiddels 'Lost City Field' (het gebied van de verloren stad) genoemd. Via de pijpen, die qua vorm een zekere gelijkenis vertonen met stalagmieten, wordt heet water de oceaan in geblazen. Dergelijke onderzeese hydrothermale schoorstenen waren al langer bekend, maar niet van dergelijk formaat.

De structuren bevinden zich op een deel van de aardkorst die slechts zo’n miljoen jaar oud is, en hebben een witte kleur. Dat is opvallend, want de meeste van dergelijke structuren elders staan bekend als 'black smokers' (zwarte rokers), omdat er donkere wolken van zwavel- en ijzerverbindingen worden uitgestoten. Misschien hangt dit samen met de ontstaanswijze, want de pijpen van het Lost City Field zijn volgens Deborah Kelley van de Universiteit van Washington, in tegenstelling tot het merendeel van de onderzeese hydrothermale uitstroomopeningen, niet ontstaan tijdens een onderzeese vulkanische uitbarsting. Opvallend is ook dat het uitgestoten water niet erg heet is. Dat is op zich overigens begrijpelijk, omdat het gebied geen actief vulkanisme kent. Dat maakt het ontstaan van deze uitzonderlijke schoorstenen echter nog moeilijker te verklaren. Susan Humphris, die als geoloog verbonden is aan het Woods Hole Oceanographic Institution oppert de mogelijkheid dat er een zekere verbinding bestaat met de aardmantel; dat zou verklaren waarom er relatief veel carbonaat, silica, methaan en waterstof wordt uitgestoten. Volgens haar zou de vloeistof die via de pijpen naar buiten komt dan ook in wezen niets anders zijn dan zeewater dat in de zeebodem is binnengedrongen en in de diepte door de daar heersende temperatuur is opgewarmd.

Met de uitzonderlijke ontstaanswijze van deze pijpen hangt mogelijk ook het vrijwel levenloze karakter van het gebied samen, al zijn er wel microben op de pijpen aangetroffen. In het algemeen vertonen dergelijke gebieden juist een concentratie van leefgemeenschappen, met diverse soorten schelpdieren, geleedpotigen en andere organismen.

Referenties:
  • Holden, C., 2000. Vent City. Science 290, p.2249

121 Uitsterven van reuzenhert vond pas plaats in Holoceen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Het reuzenhert (Megaloceras giganteus) blijkt later uitgestorven te zijn dan tot nu toe werd aangenomen. Hij overleefde - in tegenstelling tot veel andere grote zoogdieren - de overgang van de laatste ijstijd naar de huidige, warmere tijd (het Holoceen). Daarmee zal de discussie over de mogelijke invloed van de mens (jacht) op dat uitsterven zeker weer oplaaien.

Het reuzenhert was een imposante verschijning. Uit de talrijke gevonden skeletten blijkt dat volwassen exemplaren een schofthoogte hadden van meer dan twee meter. Het gewei bereikte een spanbreedte tot 3,6 m. Veel van deze geweien zijn gevonden in Ierse moerassen, en veel Ieren hebben er zelfs tuinhekjes van gemaakt. Fossiele reuzenherten zijn bekend van omstreeks 400.000 jaar geleden; ze bereikten hun hoogtepunt tijdens een relatief warme periode (Allerød, 12.000-11.000 jaar geleden) gedurende het einde van de laatste ijstijd.


MEGALOCERAS GIGANTEUS

Engelse onderzoekers berichten over dateringen die op fossiele restanten van enkele Ierse, Schotse en van het eiland Man afkomstige reuzenherten zijn uitgevoerd. Dit gebeurde met zogeheten accelerator mass spectroscopy (AMS), waardoor nauwkeurige C-14 bepalingen mogelijk werden. Het jongste Ierse reuzenhert bleek van 9225 (±85) jaar BP te dateren; een hert uit Schotland van 9430 (±65) BP. Dit betekent dat deze exemplaren ruimschoots jonger zijn dan de overgang van de laatste ijstijd naar het Holoceen, omstreeks 10.000 jaar geleden.

Opvallend is wel dat de als uit het Holoceen stammend gedateerde exemplaren kleiner zijn dan hun voorgangers, maar hun schedel nam minder in afmeting af, zodat ze juist een relatief grote kop hadden; dat is overigens een niet ongewoon verschijnsel bij dwergpopulaties (voor zover daar bij een reuzenhert van gesproken kan worden). De afname in lichaamsgrootte gedurende het Holoceen kan aan een aantal factoren worden toegeschreven, waarbij een tekort aan voedsel (als gevolg van het verdwijnen van planten onder invloed van het veranderende klimaat) naar alle waarschijnlijkheid een belangrijke rol hebben gespeeld. Die factoren kunnen zeker de populatiegrootte hebben beïnvloed, maar veel onderzoekers kennen ook een rol toe aan de mens als jager. Die hypothese wordt echter steeds minder aannemelijk, omdat het reuzenhert onder meer op Man en in Ierland al was uitgestorven voordat de mens er op deze soort begon te jagen.

Omdat ook van de mammoet recentelijk is vastgesteld dat hij op het eiland Wrangel in Siberië tot in het Holoceen heeft geleefd, lijkt het steeds waarschijnlijker dat diverse grote zoogdieren niet op het einde van de laatste ijstijd overal zijn uitgestorven, maar dat ze nog geruime tijd hebben overleefd op eilanden en langs de kusten van het continent, waar kennelijk de druk minder groot was.

Referenties:
  • Referentie
  • Gonzalez, S., Kitchener, A.C. & Lister, A.M., 2000. Survival of the Irish elk into the Holocene. Nature 405, p. 753-754.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Reuzenhert leefde ook nog na afloop van de laatste ijstijd' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (1 juli 2000).

122 Bouwstenen voor leven mogelijk in heelal ontstaan
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !

In 1953 voerde Stanley Miller een beroemd geworden experiment uit. Daarbij stuurde hij, onder laboratoriumcondities, elektrische ontladingen door een mengsel van methaan, ammonia, waterstof en water. Die componenten vormen namelijk volgens de meeste deskundigen de hoofdbestanddelen van de vroege aardatmosfeer. Het was toen ook aanzienlijk warmer dan nu, en Miller voerde zijn experiment dan ook uit bij verhoogde temperatuur. Bij dat experiment ontstonden complexe moleculen, inclusief aminozuren (die een essentieel bestanddeel vormen van levende organismen). Het experiment van Miller kreeg veel belangstelling, omdat zo was aangetoond dat belangrijke stappen op weg naar de ontwikkeling van leven van nature konden zijn gezet op de vroege aarde.

Toch kan het werk van Miller niet beschouwd worden als een bewijs voor het mogelijk ontstaan van leven. Daarvoor moet namelijk aan meer criteria worden voldaan. Die betreffen onder meer de vorming van een cel, waarin de diverse voor het leven noodzakelijke processen zich als het ware afgeschermd van de vijandige buitenwereld kunnen afspelen. Om een cel te krijgen, moet er een celwand worden gevormd. Door die celwand moeten stoffen met de buitenwereld kunnen worden uitgewisseld; het gaat in feite dus om een soort membraan, en dat is een complexe structuur waarvan tot nu toe niet duidelijk was hoe die heeft kunnen ontstaan.

Een nieuw experiment heeft ook daar nu inzicht in geboden. Enkele Amerikaanse onderzoekers hebben daartoe de omstandigheden nagebootst zoals die in dichte interstellaire gaswolken plaatsvinden. Daarbij werd een mengsel van methanol, water, ammonia en koolmonoxide bij een temperatuur van slechts zo’n 15 °C boven het absolute nulpunt, onder omstandigheden van uiterst ijle druk, gedurende vijf weken blootgesteld aan een zeer sterke straling van ultraviolet licht. Hierbij ontstonden complexe moleculen, waaronder verbindingen die grote overeenkomst vertonen met vetzuren. Onder omstandigheden waarin water in overvloed aanwezig is, vormen dergelijke moleculen een soort holle bolletjes, die kunnen worden beschouwd als een soort membraan.

Met kometen en andere vaste hemellichamen zouden deze in de interstellaire ruimte in principe op aarde terecht kunnen zijn gekomen. Met de op aarde reeds aanwezige aminozuren en andere essentiële verbindingen zou zo een belangrijke stap naar het ontstaan van zichzelf reproducerende, levende organismen zijn gezet. Of dat werkelijk ook zo gebeurd is, is uiteraard (nog?) moeilijk te bewijzen.

Referenties:
  • Dworkin, J.P., Deamer, D.W., Sandford, S.A. & Allamandola, L.J., 2001. Self-assembling amphiphilic molecules: synthesis in simulated interstellar/precometary ices. Proceedings of the National Academy of Sciences 98, p. 815-819.

123 Periodieke instabiliteit van ijskap op Antarctica
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Uit het onderzoek van diepzeesedimenten blijkt dat periodiek grote massa’s van de ijskap op Antarctica afkalven. Een dergelijk fenomeen was al bekend van de noordelijke ijskap, waar gedurende hetPleistoceen met tussenpozen van enkele duizenden jaren zulke grote massa’s ijs afkalfden (en naar het zuiden wegdreven) dat daardoor het klimaat werd beïnvloed. Bij dergelijke 'Heinrich events' (zo genoemd naar de onderzoeker die ze voor het eerst beschreef) drijft namelijk niet alleen een hoop 'koude' (in de vorm van ijs) vanuit het koude noorden naar het warmere zuiden, maar ook wordt over grote gebieden het zoutgehalte van de oceaan verlaagd (door menging met smeltwater), wat weer zijn invloed heeft - omdat zoet water lichter is dan zout water) op het circulatiepatroon in de Atlantische Oceaan. Het optreden van dergelijke Heinrich events kon worden vastgesteld aan de hand van de grote hoeveelheden puin die het gletsjerijs meevoerde, en dat bij het smelten in de oceaan geleidelijk werd gedumpt. Er komen dus niveaus voor in de diepzee waarin relatief hoge concentraties glaciaal erosiemateriaal aanwezig zijn. Nu het inmiddels mogelijk is om diepzeesedimenten te dateren, konden ook de Heinrich events worden gedateerd; zo kon ook hun min of meer regelmatige periodiciteit worden vastgesteld.

Van de ijskap op Antarctica waren vergelijkbare gebeurtenissen tot nu toe onbekend. Op basis van onderzoek naar glaciaal materiaal in de diepzee hebben Amerikaanse aardwetenschappers nu echter ook voor Antarctica een dergelijke serie van gebeurtenissen vastgesteld, voor het interval tussen 74.000 en 20.000 jaar geleden (een deel van het Weichselien). Ze troffen op verschillende breedtegraden inderdaad niveaus in het diepzeesediment aan met glaciaal materiaal, op basis waarvan waarschijnlijk acht van met Heinrich events vergelijkbare ijsafkalvingen kunnen worden gereconstrueerd. Ze lijken echter iets minder grootschalig en het glaciale puin is daarom waarschijnlijk over minder grote gebieden in de diepzeebodem terug te vinden. Net als bij de 'echte' Heinrich events gaat het overigens wel om gebeurtenissen met een (niet strikte) periodiciteit in de orde van grootte van 7000 jaar.

Opvallend is dat de enorme afkalvingen volgens de dateringen veelal min of meer samenvielen met perioden tijdens de laatste ijstijd waarin het klimaat op het noordelijk halfrond iets minder koud was dan gewoonlijk. Dat was niet te verwachten, omdat klimaatfluctuaties op het noordelijk en zuidelijk halfrond tijdens de laatste ijstijd niet synchroon verliepen: uit ijskernen van Groenland en Antarctica had men eerder geconcludeerd dat een opwarming op Antarctica gemiddeld zo’n 1500 jaar eerder plaatsvond dan op Antarctica. Waarschijnlijk spelen veranderingen in de circulatiepatronen van oceaanstromen een rol, maar het mechanisme is nog niet geheel duidelijk.

Referenties:
  • Kanfoush, S.L., Hodell, D.A., Charles, Chr.D., Guilderson, Th.P., Mortyn, P.G. & Ninnemann, U.S., 2000. Millennial-scale instability of the Antasrctic ice sheet during the last glaciation. Science 288, p. 1815-1818.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Ook ijskap op Antarctica is periodiek instabiel' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (1 juli 2000).

124 Bijzondere leerstoel Toegepaste Geofysica aan VU
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Met ingang van 1 januari 2001 is Dr. Ir. J.T. Fokkema aan de Vrije Universiteit te Amsterdam benoemd tot bijzonder hoogleraar in de Toegepaste Geofysica. Hij zal zich daar vooral richten op het benutten van de nieuwe ontwikkelingen binnen de geofysica voor het karakteriseren van zowel de ondiepe (niet gelithificeerde) als de diepe ondergrond. Een van de toepassingsgebieden met betrekking tot de ondiepe ondergrond is de geoarcheologie, een richting die van steeds meer belang wordt doordat de bovenste meters van Nederland steeds intensiever door allerlei activiteiten (o.a. de aanleg van infrastructurele werken zoals de Betuwelijn) wordt aangetast. Met de klassieke wijze van archeologisch veldwerk is onvoldoende tijd, geld en mankracht beschikbaar om mogelijk relevante archeologische vindplaatsen op tijd te ontdekken en te inventariseren. Met behulp van geofysische technieken kan dit effectiever gebeuren.

Jacob Fokkema (1948) is aan de Technische Universiteit van Delft gepromoveerd, na een studie elektrotechniek. Hij heeft na zijn promotie onder meer gewerkt aan de Stanford University (in Californië, Verenigde Staten). Hij is momenteel hoogleraar Toegepaste Geofysica aan de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen van de Technische Universiteit Delft, welke functie hij, naast zijn bijzonder hoogleraarschap aan de VU, zal blijven bekleden.

Referenties:
  • Anonymus, 2001. Brussaard, Fokkema, Jagersma, De Jong en De Wilde benoemd tot hoogleraar aan de VU. Persbericht Vrije Universiteit pb 01.04/RL.

125 'Begraven' onderzeese vulkaan beïnvloedt aardbevingen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !

Dankzij de gegevens die een dicht netwerk van seismische lijnen heeft opgeleverd, hebben Japanse onderzoekers een bijzondere vulkaan ontdekt. Het gaat om een vulkaan op ca. 10 km onder de zeespiegel, begraven onder zo’n 7 km diepzeesediment. De - niet actieve - vulkaan heeft grote afmetingen: op de diepte van 10 km heeft hij een doorsnede van ongeveer 50 km, en hij is zelf zo’n 13 km hoog. Dat betekent dat zijn basis (waarvan de afmeting niet precies bekend is, maar die in de orde van grootte van 100 km is) op zo’n 25 km onder de zeespiegel ligt.

De locatie waar deze 'fossiele' vulkaan is aangetroffen, is de Nankai-Trog, een relatief smalle, diepe trog zoals er in en nabij Japan talrijke voorkomen. De trog is een gevolg van het botsen van lithosfeerschollen, waarbij de Filippijnse schol onder de Japanse wordt weggedrukt, en daarbij materiaal van de bovenste (Japanse) schol gedeeltelijk mee de diepte insleurt (subductie).

Op dergelijke locaties komt, door de wrijving tussen de twee betrokken aardschollen, veel warmte vrij. Dat uit zich onder meer in het gedeeltelijk opsmelten van gesteenten tot magma. Omdat de beweging van de twee schollen ten opzichte van elkaar gehinderd wordt door oneffenheden aan beide zijden, wordt bovendien de onderlinge beweging belemmert, waardoor een spanningsveld ontstaat dat zich - bij een te grote waarde - ontlaadt in de vorm van aardbevingen. Daarbij kan het gevormde magma via zwaktezones omhoogdringen, waardoor vulkanisme optreedt.

Dergelijke aardbevingen en vulkanische uitbarstingen komen in Japan regelmatig voor. Zo waren er als gevolg van de wrijvingen die de Nankai-Trog vormen, in 1944 en 1946 grote aardbevingen bij resp. Tonankai en Nankaido. Bij de laatste beving bewogen de twee schollen zich ten opzichte van elkaar over een oppervlakte van ca. 250.000 vierkante kilometer, met een verplaatsing van 3-18 m. Een dergelijke grote aardbeving is het gevolg van de snelle ontlading van een zeer grote spanning. Die spanning is een gevolg van de wrijving als gevolg van oneffenheden op de lithosfeerschollen op hun contactvlak.

De onderzoekers maken aannemelijk dat de grote beving bij Nankaido kon plaatsvinden doordat de spanning langdurig werd opgebouwd als gevolg van de buitengewoon grote 'oneffenheid' die ze nu seismisch hebben getraceerd en waarvan ze de aard als die van een zogeheten seamount (onderzeese vulkaan) hebben kunnen vaststellen. Dit betekent dat er in subductiezones een zelfversterkend proces kan optreden: doordat er wrijving optreedt ontstaat vulkanisme. Doordat de gevormde vulkanen tezijnertijd ook de diepte worden ingesleurd ontstaat er een oneffenheid die bovendien veel hardere is dan zijn directe omgeving van diepzeesedimenten, waardoor hij extra wrijving oplevert. Dat kan weer tot extra opsmelting en vulkanisme leiden, etc. Daarnaast leveren dergelijke vulkanen zoals het door de Japanners beschreven voorbeeld een extra kans op zeer zware aardbevingen.

Referenties:
  • Kodeira, S., Takahashi, N., Nakanishi, A., Miura, S. & Kaneda, Y., 2000. Subducted seamount imaged in the rupture zone of the 1946 Nankaido earthquake. Science 289, p. 104-106.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Begraven vulkaan in zeetrog beïnvloedt aardbevingen in Japan' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (8 juli 2000).

126 Identificatie van 'conflict-diamanten' voorgesteld
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Mineralen !

De talrijke gewapende conflicten tussen allerlei groeperingen in Afrika worden voor een belangrijk deel gefinancierd met de opbrengst van diamant. Het gaat daarbij naar schatting in zo’n 4% van de gevallen om illegaal opgekochte, verhandelde en uitgevoerde stenen. Dat zou vooral in Angola, Congo en Sierra Leone tot veel bloedvergieten leiden.

Medio januari heeft de Amerikaanse overheid stappen genomen om hieraan een einde te maken via de inschakeling van wetenschappers. Deze zouden een soort 'vingerafdruk' van de verschillende diamanttypen moeten opstellen, zodat kan worden nagegaan waar ze vandaan komen. Middelen daartoe zouden kunnen bestaan uit het karakteriseren van de diverse vindplaatsen op basis van spectroscopie en het gedetailleerd vastleggen van alle fysische kenmerken. Dat idee is niet uit de lucht gegrepen, want op sommige terreinen gebeurt dat al, maar voor diamant is dit vooralsnog een methode waarvan de effectiviteit (d.w.z. de mate waarin fouten kunnen worden vermeden) niet is vastgesteld. Een ander nadeel is dat uitvoering hiervan zeer kostbaar zal zijn, omdat iedere steen in de legale handel in principe zou moeten worden gecontroleerd op zijn kenmerken, om na te gaan of de opgegeven herkomst correct is; in veel gevallen zal dat bovendien tot een - overigen gewoonlijk zeer geringe - beschadiging van de ruwe steen kunnen leiden.

Er is inmiddels een werkgroep opgericht, onder leiding van het White House Office of Science and Technology Policy. Deze werkgroep zal voorstellen voor onderzoek naar de mogelijkheden opstellen voor de Amerikaanse National Science Foundation. Die te vergelijken is met NWO in Nederland. Het is de bedoeling dat deze organisatie ook het onderzoek zal financieren, maar de besluitvorming daaromtrent kost - zoals gebruikelijk - de nodige tijd. Volgens het Hoofd Technologie bestaat er echter goede hoop dat er 'nog dit jaar belangrijke vooruitgang' zal worden geboekt.

Referenties:
  • Anonymus, 2001. Discerning diamond origins. Science 291, p. 413.

127 Tand van fossiele reuzenvampier wijst op temperatuurstijging
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

In de omgeving van Buenos Aires was het zo’n 300 jaar geleden minstens 2 °C warmer dan nu. Daardoor konden vleermuissoorten zich verder zuidwaarts verspreiden dan nu het geval is. Dat blijkt uit de vondst van de hoektand van een inmiddels uitgestorven vleermuissoort van het geslacht Desmodus. Het gaat om een exemplaar dat, op grond van de kenmerken van de tand, nauw verwant moet zijn geweest aan de huidige soort Desmodus draculae, een - zoals de naam al suggereert - van bloed levende soort (in mei 1998 waren exemplaren van deze soort op een tentoonstelling in het Haagse Museon in levende lijve te bewonderen). Mogelijk moet hij zelfs tot deze soort worden gerekend. Een reconstructie van het fossiele exemplaar wijst echter uit dat hij minimaal een kwart groter moet zijn geweest dan de huidige Argentijnse vampiers.

Het exemplaar werd aangetroffen in een pakket dat reeds geruime tijd nauwkeurig wordt onderzocht op restanten van zoogdieren. Doel daarvan is om een beter beeld te krijgen in de temperaturen van de laatste paar eeuwen. Uit het pakket waren al eerder tal van resten vrijgemaakt, vooral van knaagdieren. Die werden hoofdzakelijk aangetroffen in een niveau dat volgens C-14-dateringen 715±45 jaar geleden werd gevormd. De gevonden hoektand van de reuzen-
vampier - zoals hij door de Argentijnse paleontologen wordt omschreven - komt uit een iets hoger niveau, dat (ook volgens C-14-datering) ongeveer 300 jaar geleden ontstond.

Volgens de onderzoekers is er geen enkele reden om aan te nemen dat het fossiele exemplaar behoorde tot een soort die andere temperatuurcondities prefereerde dan de huidige soorten van Desmodus, waarvan het verspreidingsgebied eindigt waar de minimale waarde van de juli-isotherm 12 °C bedraagt. De vindplaats van het fossiele exemplaar ligt echter zo’n 600 km zuidelijker dan die isotherm, wat inhoudt dat die isotherm destijds minimaal diezelfde afstand zuidelijker lag; ten opzichte van het oudst bekende fossiele exemplaar van Desmodus draculae is die afstand zelfs ruim 2000 km; deze soort heeft nu een uiterste verspreiding tot een minimale juli-isotherm van 8 °C.

De onderzoekers concluderen dat, in de 300 jaar die verlopen is na de dood van het fossiele exemplaar, de temperatuur ter plaatse in de winter minimaal 2 °C hoger moet zijn geweest dan thans, en de zomertemperatuur 2-4 °C; dat houdt in dat 300 jaar geleden een subtropisch klimaat heerste waar nu een gematigd-warm klimaat heerst.

Referenties:
  • Pardiñas, U.F.J. & Tonni, E.P., 2000. A giant vampire (Mammalia, Chiroptera) in the Late Holocene from the Argentinean pampas: palaeoenvironmental significance. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 160, p. 213-221.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Hoektand van fossiele reuzenvampier wijst op warmere winter' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (26 augustus 2000).

128 Inslagen van meteorieten deden aarde niet branden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie !

Tot de grote rampen die de aarde in de loop van de geologische geschiedenis hebben getroffen, behoren zeker enkele inslagen van hemellichamen. De grootste inslagen hebben zulke grote effecten gehad op het leven op aarde, dat fauna en flora voor een groot deel uitstierven. De momenten van inslag van dergelijke hemellichamen wordt dan ook vaak gebruikt als grens tussen twee opeenvolgende geologische intervallen (periodes, tijdvakken, etc.). Over de directe oorzaken van het massale uitsterven na een grote inslag bestaat nog veel onduidelijkheid. Vaak wordt gesuggereerd dat de enorme energie die vrijkomt zou hebben geleid tot allesverzengende branden, waardoor geen voedsel meer aanwezig zou zijn.

Deze hypothese houdt echter geen stand na een onderzoek door Timothy Jones (van de Universiteit van Cardiff) en Bo Lim (namens de OESO medewerker aan het IPCC-project). Zij komen tot hun conclusie na analyse van houtskool dat dateert uit een relatief kleine inslag gedurende het Mioceen, en van houtskool dat is aangetroffen op de grens tussen Krijt en Tertiair, de grens die bij uitstek zo geprononceerd zou zijn door een gigantische inslag).

Het blijkt dat het onderzochte materiaal dat uit de Miocene inslagkrater bij Ries kwam, en dat tot nu toe (macroscopisch) was gedetermineerd als houtskool, geen houtskool is. Er kan volgens de onderzoekers dus zelfs niet worden vastgesteld dat er locale branden als gevolg van de inslag zijn ontstaan.

Van de Krijt/Tertiair-grens is wel echte houtskool bekend. De onderzoekers hebben zulk materiaal van vijf bekende vindplaatsen geanalyseerd. Ze vonden daarbij dat in 53% van de onderzochte fragmenten weliswaar sprake was van houtskool, maar dat dat bestond uit materiaal dat voorafgaand aan de verbranding een proces van biodegradatie (in gewone woorden: verrotting, vertering) had doorgemaakt. De organismen waren dus reeds lang dood voordat ze verbrandden. Evenmin vonden de onderzoekers morfologische aanwijzingen voor het verbranden van levend plantaardig materiaal

Op basis van deze analyses komen de onderzoekers tot de conclusie dat er minimaal maanden, maar waarschijnlijk jaren of zelfs tientallen jaren moeten zijn verstreken voordat de afgestorven organismen werden aangetast door het vuur waardoor de houtskool werd gevormd. Ze stellen daarom dat er geen enkele objectieve reden is om aan te nemen dat de grote inslagen in het geologisch verleden gepaard gingen met extreem uitgebreide branden.

Referenties:
  • Jones, T.P. & Lim, B., 2000. Extraterrestrial impacts and wildfires. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 164, p. 57-66.

129 Half miljard jaar geleden was er al chemoautotrofe symbiose
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Trilobieten hadden in het Laat-Cambrium tot Vroeg-Ordovicium (505-445 miljoen jaar geleden) vertegenwoordigers die in symbiose leefden met bacteriën. Ze deden dit omdat ze leefden in een zuurstofarm milieu waarin ze onvoldoende prooi konden bemachtigen. In plaats daarvan voedden ze zich met bacteriën die zelf hun energie ontleenden aan een op zwavel gebaseerde stofwisseling. Richard Fortey, een Engels paleontoloog, beschrijft deze specialistische leefwijze, die tegelijk de oudst bekende vorm van chemoautotrofe symbiose vertegenwoordigt.

Het gaat om enkele soorten van de familie van de Olenidae, die op de bodem leefden van een zee waar nu Scandinavië ligt. Van sommige van deze soorten was al bekend dat ze een afwijkende anatomie bezaten, onder meer bij hun mond. Daarvoor bestond tot nu toe geen goede verklaring. Een meer gedetailleerde morfologische studie heeft daarin nu duidelijkheid gebracht. Het blijkt dat vooral het vlies rondom het longweefsel een goede 'broedplaats' voor de bacteriën moet zijn geweest. Het vertoont kenmerken die ook te vinden zijn bij recente organismen die met bacteriën in symbiose leven, onder meer in de vorm van een zeer sterke vergroting van de oppervlakte door de aanwezigheid van allerlei plooien. Volgens Fortey hadden sommige soorten zelfs geen normaal ontwikkelde mond (er lag een soort plaat voor hun mondopening), en kunnen ze zich niet op de normale wijze met prooidiertjes of organisch materiaal hebben gevoed. De bacteriën moeten als hun voedsel hebben gediend.


TRIARTHRUS SP. WELKE BEHOORT TOT DE FAMILIE OLENIDAE

Dat er sprake is van symbiose volgt uit de voorwaarden die de bacteriën aan hun milieu stellen; ze zouden het zonder de trilobieten niet hebben gered, omdat die ervoor zorgden dat ze regelmatig met de goede omstandigheden in contact kwamen. In het zeemilieu worden dergelijke bacteriën namelijk vooral aangetroffen in de overgangszones tussen het zuurstofloze (of minimaal zeer zuurstofarme), zwavelrijke gebied en het gebied met zuurstofrijk water. Volgens de veldgegevens waren destijds inderdaad zowel zuurstofarme als zuurstofrijkere zones ter plaatse aanwezig. Er zijn elders bovendien sporen gevonden in gesteenten die vroeger op de zeebodem zijn gevormd, die volgens andere onderzoekers aan Olenidae moeten worden toegeschreven, en die erop wijzen dat ze zijn gemaakt door dieren die even bodem de zeebodem zwommen en daar af en toe naar toe doken. Dat zou er volgens Fortey op kunnen wijzen dat deze trilobieten op het grensvlak van zuurstofarm en zuurstofrijk water zwommen om enerzijds hun eigen behoefte aan zuurstof te dekken en om anderzijds de in symbiose levende zwavelbacteriën gunstige voorwaarden voor hun stofwisseling te bieden. Hij vergelijkt dat met een recent organisme (Solemya) dat een zelfde leefwijze heeft.

Referenties:
  • Fortey, R., 2000. Olenid trilobites: the oldest known chemoautotrophic symbionts? Proceedings of the National Academy of Sciences of the USA 97, p. 6574-6578.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Chemo-autotrofe symbiose al zo’n 500 miljoen jaar oud' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (2 september 2000).

130 Getuigen van tsoenami in 1456
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geomorfologie ! Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen !

Langs de kust van Apulië (in het zuiden van Italië, langs de Ionische Zee) komen diverse stukken voor waar grote stenen voorkomen op enkele meters boven de huidige zeespiegel. Het grootste blok dat de twee Italiaanse onderzoekers aantroffen, woog zo’n 80.000 kg en was 1,8 m omhoog geworpen; het had kennelijk ook een horizontale afstand afgelegd van ongeveer 40 m.

Dit is niet het enige merkwaardige verschijnsel ter plaatse. Het blijkt dat langgerekte stenen allemaal met hun lange as in dezelfde richting wijzen, met een zeer geringe spreiding. Ook liggen ze in sommige gevallen dakpansgewijs op elkaar (net zoals dat gebeurt op een rolsteenstrand of, soms, in een rivier), waarbij dat ook weer steeds in dezelfde richting gebeurt. Deze uniforme oriëntatie wijst op een eenmalig proces; de verplaatsing van dergelijk grote keien wijst op een enorme transportkracht. De onderzoekers vinden daarom maar een aannemelijke verklaring: de stenen moeten zijn opgenomen, meegevoerd en afgezet door een tsoenami (een vloedgolf zoals die kan ontstaan na een zeebeving).

De stratigrafische positie van de stenen wijst, evenals de morfologie ter plaatse, op een gebeurtenis die tijdens het Holoceen moet hebben plaatsgevonden. Op de stenen zijn schelpresten aangetroffen die zijn gedateerd op 1421-1568 n.Chr. Dat is uiteraard een tijd waarvan schriftelijke bronnen zijn bewaard. Die maken inderdaad melding van een zware aardschok die het zuiden van Italië trof op 5 december 1456.

Referenties:
  • Mastronuzzi, G. & Sansò, P., 2000. Boulders transport by catastrophic waves along the Ionian coast of Apulia (southern Italy). Marine Geology 170, p. 93-103.

131 Asfaltweg toont vorming van geologische bekkens
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Structurele geologie, (Plaat)tektoniek & Aardbevingen !

Een niet zolang voordien geasfalteerde weg in Noorwegen heeft deformaties te zien gegeven die precies weerspiegelen hoe sommige geologische bekkens gedurende zeer lange perioden ontstaan. Het gaat om een verschijnsel waarbij twee gebieden, via een breukvlak, zich langs elkaar in horizontale richting bewegen. Dat kan uiteraard niet eindeloos doorgaan: op een zeker moment scheurt een van de bewegende blokken als het ware los van zijn uiteinde, waardoor een regionale depressie ontstaat die vervolgens een sedimentatiebekken kan gaan vormen. Men spreekt in de geologie dan van 'pull-apart' bekkens.

Een dergelijke bekkenvorming duurt in de geologie vaak vele miljoenen tot tientallen miljoenen jaren, omdat de beweging langs het breukvlak gepulseerd (gepaard met aardbevingen) plaatsvindt. Tijdens zo’n beweging is de verspringing zelden meer dan enkele meters. Het duurt dus lang voordat een bekken met een doorsnede van tientallen kilometers is gevormd. In werkelijkheid is dat dus niet waar te nemen: geologen moeten daartoe bestaande structuren interpreteren of gebruik maken van fysische modellen waarin de tijdsfactor wordt aangepast. Beide mogelijkheden hebben hun nadelen, alsook hun onnauwkeurigheden.

Op de onderzochte asfaltweg, ongeveer 60 km ten zuiden van Trondheim, is het proces nog te volgen, en zijn de resultaten zichtbaar. De weg is ter plaatse 5,5 m breed, en een 'plak' asfalt van ongeveer 1,7 m breed is aan het schuiven gegaan. Dat hangt samen met de helling van de weg ter plaatse, die varieert van 1:15 tot 1:12. Het afgezakte pakket wordt aan de ene kant begrensd door de berm, waardoor daar geen plaatse is van een echt breukcontact. Aan de andere kant is echter wel een echt breukvlak ontstaan, dat als het ware is opgebouwd uit een groot aantal kleine breukvlakken die elk 23-26° hellen. Het gecombineerde breukvlak loopt evenwijdig aan de berm en vormt grofweg een rechte lijn, met plaatselijk wat oneffenheden, zoals dat ook in werkelijkheid wordt waargenomen. Aan de kop van het weggezakte pakket is inmiddels een 'pull-apart' bekken ontstaan met een concave 'bovenzijde' en een breedte van ca. 35 cm (de onderzijde is dus convex). Deze afmeting werd binnen enkele maanden na het leggen van het asfalt bereikt.

Roberts merkt op dat het 'pull-apart' bekken is ontstaan doordat de nieuwe asfaltlaag is afgegleden van de oudere asfaltlaag daaronder. Dat gebeurde uiteraard onder invloed van de zwaartekracht; de hechting tussen beide pakketten was mogelijk onvoldoende doordat een tussenliggende emulsielaag (van 50% bitumen en 50% water) regenwater vasthield (het was regenachtig weer was toen de nieuwe laag werd gelegd), waardoor er mogelijk een waterfilm tussen de emulsielaag en de bovenste asfaltlaag aanwezig is geweest. Of een dergelijk min of meer horizontaal glijvlak ook een rol speelt bij het geologische ontstaan van 'pull-apart' bekkens, is overigens onduidelijk.

Referenties:
  • Roberts, D., 2000. Pull-apart stepover structures in an asphalted road surface - a geological curiosity. Journal of Structural Geology 22, p. 1469-1472.

N.B.: een iets afwijkende versie van dit bericht werd onder de titel 'Asfaltweg toont proces geologische vervorming op schaal' geplaatst in de bijlage 'Wetenschap & Onderwijs' van NRC Handelsblad (25 november 2000).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl