NGV-Geonieuws 145

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 Februari 2008, jaargang 10 nr. 2

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 891 Raadselachtig fossiel blijkt gepantserde worm
  • 892 Zeespiegel zal sneller stijgen dan nu wordt aangenomen
  • 893 Levermossen ouder (en eerder geëvolueerd) dan gedacht
  • 894 'Superbroeikas' tijdens Krijt kende grote ijskappen
  • 895 Dinosauriërs plantten zich al jong voort
  • 896 Scheepssporen vanuit de ruimte
  • 897 Microben kunnen winning van olie en gas uit teerzanden versnellen
  • 898 Natuurlijke blauwe diamanten kunnen rood oplichten, kunstmatige niet
  • 899 Abrupte klimaatveranderingen tasten biodiversiteit in diepe zeeën sterk aan
  • 900 Vulkanisch CO2 werd tijdens Sneeuwbal Aarde door oceanen opgenomen

    << Vorige uitgave: 144 | Volgende uitgave: 146 >>

891 Raadselachtig fossiel blijkt gepantserde worm
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Een 150 jaar oud paleontologisch raadsel is opgelost. Het betreft de Machaeridia (machaeridiërs), een groep bizarre langwerpige dieren met een rugpantser dat is opgebouwd uit rijen van gemineraliseerde plaatjes. Ze zijn bekend vanaf ongeveer 485 miljoen jaar geleden (Ordovicium) tot ca. 299 miljoen jaar geleden (Carboon). In hun tijd moeten de machaeridiërs een belangrijk element binnen de toen bestaande ecosystemen hebben gevormd, want plaatjes van het rugpantser komen wereldwijd veelvuldig in mariene afzettingen uit het 180 miljoen jaar lange tijdsinterval voor. Hun taxonomische plaats in het dierenrijk bleef echter een onderwerp van discussie (onderzoekers deelden ze in bij de mollusken, de crustaceeën, de stekelhuidigen en de wormen), vooral omdat complete fossielen uiterst zeldzaam zijn. Dat is logisch, want na hun afsterven werden de zachte bestanddelen door aaseters verorberd of door verrotting omgezet in onherkenbare verbindingen, terwijl de harde delen (de gemineraliseerde plaatjes) na het afsterven gemakkelijk werden verspreid, hetzij door de aaseters, hetzij door bodemstromen.


Holotype van Plumulites bengtsoni (links) en interpretatie (rechts)

De aard van de machaeridiërs is nu duidelijk geworden door de vondst, 22 km ten noord-noord-oosten van Zagora (Zuid-Oost Marokko), van een uitzonderlijk bewaard exemplaar van ca. 480 miljoen jaar oud (Vroeg-Ordovicium). Het bewaarde gedeelte is 28 mm lang. Zelfs de weke delen van het exemplaar zijn goed zichtbaar; ze bestaan uit ijzeroxiden, wat erop wijst dat het fossiel oorspronkelijk (op zijn minst ten dele) was gepyritiseerd. Dit wijst erop dat het dier na afsterven door sediment bedekt is op de bodem van een zee waarin zo weinig zuurstof voorkwam dat verrotting onmogelijk was, en dat er ook te weinig zuurstof was voor 'normale' aaseters.

Op basis van de gefossiliseerde zachte weefsels kan worden vastgesteld dat het dier onder zijn rugpantser een gesegmenteerd lichaam had, met uitsteeksels die op poten lijken op elk segment. Al deze zijdelingse uitsteeksels dragen twee bundels van lange, stijve borstelharen. Deze karakteristieken - gesegmenteerd lichaam, en vooral de aanwezigheid van 'weke' poten met borstels - bewijzen dat het gevonden exemplaar (en daarmee ook de andere machaeridiërs) behoren tot de gelede wormen (Annelida). De gelede wormen vormen nu een diverse groep, waartoe onder meer de zeemuis, de aardworm en de bloedzuiger behoren.


Reconstructie (door Jerzy Dzik)
van het pantser


Plumulitues tanaensis, een eerdere vondst
(Boven-Ordovicium) die echter bij gebrek aan
gefossiliseerde weke delen weinig informatie gaf


Welke plaats de macharidiërs binnen de gelede wormen innemen, is ondanks het bijzondere fossiel nog niet geheel duidelijk. Omdat ze een bepantsering van plaatjes op hun rug dragen, is het goed mogelijk dat ze behoorden tot een groep van borstelwormen die nog steeds voorkomt (en waartoe de zeepier behoort).

Het exemplaar dat zoveel nieuwe gegevens heeft opgeleverd, is Plumulites bengtsoni gedoopt. De geslachtsnaam Plumulites werd al in 1872 door Barrande ingevoerd. De nieuwe soort is vernoemd naar Stefan Bengtson, een onderzoeker die veel met machaeridiërs heeft gewerkt.

Referenties:
  • Caron, J.-B., 2008. Ancient worms in armour. Nature 451, p. 133-134.
  • Vinther, J., Van Roy, P. & Briggs, D.E.G., 2008. Machaeridians are Palaeozoic armoured annelids. Nature 451, p. 185-188.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Derek Briggs, Department of Geology and Geophysics, Yale University, New haven, CT (Verenigde Staten van Amerika).

892 Zeespiegel zal sneller stijgen dan nu wordt aangenomen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Gedurende het laatste interglaciaal, het Eemien (dat van 124.000 tot 119.000 jaar geleden duurde), was de gemiddelde temperatuur op aarde zo’n 2 °C hoger dan nu. Als de temperatuur op aarde nu zou blijven stijgen door het broeikaseffect (zoals het IPCC aanneemt, maar wat lijkt te worden tegengesproken door uiteenlopende metingen), komt er dus op een gegeven moment een met het Eemien vergelijkbare situatie. Bekend is dat het zeeniveau gedurende het Eemien 4-6 m hoger stond dan nu (vooral door het voor een groot deel afsmelten van de ijskap op Groenland, maar ook door het afsmelten van ijs op Antarctica) en veel voorspellingen gaan dan ook nu uit naar een dergelijke zeespiegelstijging.


IJsberg bij West Antarctica (foto Sara de la Rosa)

Opvallend is dat de zeespiegelstijging in het Eemien zeer snel plaatsvond: omstreeks 1,6 m per eeuw; dat geldt althans voor de tijd dat de temperatuur in het Eemien net zo hoog was als hij volgens het IPCC over 50-100 jaar zal zijn. Als aan het eind van deze eeuw inderdaad net zo’n snelle zeespiegelstijging zal optreden als gedurende het Eemien, moeten de huidige - veel conservatievere - schattingen aanzienlijk worden bijgesteld: de zeespiegel zou dan namelijk tweemaal zo snel stijgen als in het meest alarmerende scenario van het nieuwe ICCP-rapport wordt aangenomen. Dat de werkelijke zeespiegelstijging veel sneller zou kunnen gaan dan tot nu toe wordt aangenomen, schrijven de onderzoekers toe aan het feit dat in de ICCP- en andere studies vrijwel uitsluitend rekening is en wordt gehouden met de uitzetting van het zeewater (door de hogere temperatuur van het oppervlaktewater) en met het afsmelten van ijs aan het oppervlak van de grote landijskappen. Er is echter geen rekening gehouden met de dynamica van het ijs zelf: dat zou bij temperatuurstijging sneller gaan stromen en dus meer ijs in de zeeën rondom Antarctica en Groenland doen smelten dan nu het geval is.


De Rode Zee, waar het onderzoek werd uitgevoerd (foto NASA)

De onderzoekers komen tot hun conclusie op basis van hun analyse van de zeespiegelfluctuaties die zijn opgetreden in de Rode Zee. De gegevens over de zeespiegelstand daar maken reconstructie van een vrijwel ononderbroken ontwikkeling mogelijk; ook voor het Eemien zijn die gegevens aanwezig. In het Eemien was de concentratie van CO2 in de atmosfeer net zo hoog als vlak voor de industriële revolutie. Vanwege een andere astronomische situatie ontving de aarde toen echter meer zonnewarmte, waardoor de temperatuur toen 2 °C hoger was dan nu; Groenland was zelfs 3-5 °C warmer. Dat lijkt overeen te komen met de situatie op aarde omstreeks het jaar 2100.

De Rode Zee was goed geschikt voor het uitgevoerde onderzoek omdat er veel verdamping plaatsvindt en aanvulling door rivierwater of neerslag nauwelijks plaatsvindt, en er een nauwe, ondiepe verbinding is met de open zee. Het gevolg is dat het water zeer zout is. Tegelijk verandert de verhouding tussen de zuurstofisotopen, wat weerspiegeld wordt in de kalkschaaltjes van microfossielen (o.a. de foraminifeer Globigerinoides ruber). Een en ander maakt het mogelijk om de zeespiegelfluctuaties te reconstrueren. Soortgelijk onderzoek was eerder uitgevoerd in de Middellandse Zee, maar omdat die veel dieper is dan de Rode Zee en er via de Straat van Gibraltar veel meer water in- en uitstroomt, waren de resultaten van dat onderzoek minder betrouwbaar.


Globigerinoides ruber, een van de foraminiferen waarvan de verhouding tussen de stabiele zuurstofistopen werd bepaald

De onderzoekers concluderen dat een zeespiegelstijging van 0,6-2,6 m per eeuw kan worden verwacht, waarbij het gemiddelde van 1,6 m per eeuw het meest waarschijnlijk is.

Referenties:
  • Rohling, E.J., Grant, K., Hemleben, Ch., Hoogakker, B.A.A., Bolshaw, M. & Kucera, M., 2008. High rates of sea-level rise during the last interglacial period. Nature Geoscience 1, 38-42.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Eelco Rohling, National Oceanography Centre, Southampton, Groot-Brittannië.

893 Levermossen ouder (en eerder geëvolueerd) dan gedacht
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De levermossen (Hepaticae) vormen samen met de bladmossen (Musci) de mossen (Bryophyta). Ze zijn klein en eenvoudig gebouwd, en komen momenteel vooral voor op vochtige plaatsen. Ze worden beschouwd als de oudste groep van op het land onder vochtige of natte omstandigheden levende embryofyten die uit de algen zijn voortgekomen. Levermossen waren al bekend vanaf het Laat-Devoon, maar fossiele exemplaren uit het Paleozoïcum zijn betrekkelijk zeldzaam. Dat wordt geweten aan het feit dat deze plantjes geen harde bestanddelen bevatten en daarom moeilijk fossiliseren.


Handstuk met Metzgeriothallus sharonae (en enkele ostracoden)

Nu zijn er twee plaatsen in het oosten van New York gevonden waar fossiele levermossen in tamelijk grote getale voorkomen in de schalies van de zogeheten Catskill Delta, die in het Midden- en Laat-Devoon werd opgebouwd. De delta is complex van opbouw, en de fossiele levermossen zijn aangetroffen in donkergrijze tot zwarte schalies die in het deltaïsche pakket als dunne lenzen voorkomen. Het gaat waarschijnlijk om delen van de delta die als meren of wellicht estuariene gebieden tussen de oeverwallen van de grote rivierarmen voorkwamen. Er moet, gezien de donkere kleur, weinig of geen zuurstof aanwezig zijn geweest. Dat verklaart waarom de levermossen niet wegrotten, maar onveranderd door nieuw sediment bedekt konden worden.


Dunne afdruk ('film') met parenchym-cellen

In deze donkere lenzen komen verkoolde resten voor van een nieuwe soort levermos: Metzgeriothallus sharonae. De gesteenten stammen uit het laatste deel (Givetien) van het Midden-Devoon, en daarmee zijn deze fossielen nu de oudst bekende vertegenwoordigers van de levermossen. Door compactie en de sterke mate van verkoling (tot antracietniveau) zijn details met het blote oog nauwelijks waar te nemen, en ook fotografisch niet of nauwelijks in enig detail vast te leggen. Door speciale technieken toe te passen, onder meer het vervaardigen van een zeer dun laagje ('film'), bleken de onderzoekers echter toch in staat om zelfs zeer kleine details zichtbaar te maken. Daardoor bleek het zelfs mogelijk om vast te stellen dat ze tot het taxon van de Jungermanniopsida behoren en daarbinnen weer tot de Metzgeriales.


De groeve Bates Hollow vormt een van de twee plaatsen
waar de oudste levermossen zijn aangetroffen

Dit laatste is interessant in verband met de reconstructie van de evolutionaire ontwikkeling van de levermossen. Die reconstructie berustte tot nu toe op DNA-analyse van chloroplast van recente vertegenwoordigers. Op basis daarvan werd tot nu toe gedacht dat de diversificatie van de levermossen tot Jungermanniopsida en Marchantiopsida plaatsvond in het Laat-Devoon, en dat de opsplitsing tussen Metzgeriidae en Jungermanniidae plaatsvond in het Laat-Carboon. Nu blijkt dat beide ontwikkelingen zich al in het laatste deel van het Midden-Devoon heeft afgespeeld. Dit past in het beeld dat tegenwoordig uit veel studies naar voren komt: de op DNA gebaseerde reconstructies van evolutionaire ontwikkelingen geven vaak te geringe ouderdommen voor het moment van opsplitsing in twee takken.

Referenties:
  • VanAller Hernick, L., Lanting, E. & Bartowski, K.E., 2008. Earth’s oldest liverworths - Metzgeriothallus sharonae sp. nov. from the Middle Devonian (Givetian) of Eastern New York, USA. Review of Palaeobotany and Palynology 148, p. 154-162.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Linda Hernick, New York State Museum, New York, NY (Verenigde Staten van Amerika).

894 'Superbroeikas' tijdens Krijt kende grote ijskappen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Hoge temperaturen hoeven niet per definitie te leiden tot het afsmelten van de grote landijskappen. Dat blijkt uit een studie van 91 miljoen jaar oude mariene microfossielen. Gedurende het Turoon (93,5-89,3 miljoen jaar geleden was het zeer warm op aarde, en zo’n 91 miljoen jaar geleden werd een hoogtepunt bereikt (het Thermisch Maximum van het Krijt). De temperatuur van het oppervlaktewater van de tropische oceanen was toen 35-37 °C, ongeveer 10 °C meer dan nu. Er was daarom sprake van wat deskundigen een 'superbroeikas' noemen.


De onderzochte foraminiferen betroffen onder meer Marginotruncana sinuosa (A, B) en Whiteinella baltica (C, D). Schaalbalkjes 50 micron

Het idee dat er destijds geen ijskappen bestonden, moet nu echter worden herzien. Analyse van de verhouding tussen de stabiele zuurstofisotopen in de kalkschaaltjes van foraminferen wijst er namelijk op dat die verhouding gedurende het Turoon veranderde in het zeewater. De bestudeerde foraminiferen vertegenwoordigen deels bodembewoners, deels soorten die in het oppervlaktewater leefden. De veranderende verhouding van de zuurstofisotopen in het zeewater kan alleen afdoende worden verklaard door aan te nemen dat veel water dat door verdamping aan het zeewater werd onttrokken (en dat relatief veel 'lichte' zuurstofisotopen bevatte, niet meer - direct of indirect - naar zee terugkeerde. Dat kan alleen een gevolg zijn van het vasthouden van het water op het land, en dat kan alleen in de vorm van een ijskap. Een tweede geochemische onderzoeksmethode leverde dezelfde conclusie op.


Geochemische gegevens van de forams, waaruit groei en afsmelten van ijskappen in het Krijt worden afgeleid

De onderzoekers komen op grond van hun analyses tot de conclusie dat er gedurende ca. 200.000 jaar een ijskap moet hebben bestaan waarvan de omvang ongeveer half zo groot was als de huidige ijskap op Antarctica. Ze wijzen er daarbij op dat de ijskap niet alleen heeft bestaan tijdens de hoge temperaturen die destijds op aarde heersten, maar dat ze tijdens de 'superbroeikas' ook zijn aangegroeid. Dat sluit nauw aan bij eerdere studies in Rusland en in de Amerikaanse staat New Jersey, die er al op wezen dat de zeespiegel gedurende de tijdspanne dat de ijskap aangegroeid moet zijn, ook daalde; die zeespiegeldaling was zelfs aanzienlijk: 25-40 m.


Temperaturen van het oppervlaktewater in de oceanen zoals afgeleid uit de verhouding tusen zuurstofisotopen in foraminiferen

Waar de ijskappen tijdens het Thermisch Maximum van het Krijt lagen, is met het uitgevoerde onderzoek niet vast te stellen. Evenmin is duidelijk hoe het mogelijk is dat de ijskappen bij zulke hoge temperaturen konden ontstaan en konden groeien. Mogelijk speelden koele zomers en hoge bergtoppen (waarschijnlijk op Antarctica) een rol. Hoe het ook zij, de huidige klimaatmodellen die ervan uitgaan dat een stijging van de temperatuur op aarde onvermijdelijk leidt tot het afsmelten van de grote ijskappen, en daarmee tot een stijging van de zeespiegel, zullen in dat opzicht moeten worden herzien.


Onderzoeksleider André Bornemann

Referenties:
  • Bornemann, A., Norris, R.D., Friedrich, O., Beckmann, B., Schouten, S., Sinninghe Damsté, J.S., Vogel, J., Hofmann, P. & Wagner, Th., 2008. Isotopic evidence for glaciation during the Cretaceous supergreenhouse. Science 319, p. 189-192.
  • Kerr, R.A., 2008. More climate wackiness in the Cretaceous supergreenhouse? Science 319, p. 145.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door André Bornemann, Scripps Institution of Oceanography, University of California, San Diego, La Jolla, CA (Verenigde Staten van Amerika).

895 Dinosauriërs plantten zich al jong voort
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Dinosauriërs blijven voor verrassingen zorgen. Deze diergroep, die voortkwam uit de reptielen en waaruit de vogels evolueerden, blijken wat betreft hun voortplanting meer op grote zoogdieren (zoals de mens) te hebben geleken dan op reptielen of vogels. Zo groeiden ze heel snel tijdens wat we bij mensen hun leeftijd als pubers zouden noemen. En net zoals we nu dagelijks bij tieners in de wereld om ons heen zien, waren ook dinosauriërs in staat om zich op die leeftijd al voort te planten.


Groei van Allosaurus, en doorsnede door het scheenbeen van een 10 jaar jong vrouwelijk individu dat 150 miljoen jaar geleden leefde.

Evolutionair gezien is het waarschijnlijk dat een dergelijk vroegrijp gedrag te maken heeft met het voortbestaan van de soort. Dit zou erop kunnen wijzen dat een zeer groot deel van de dino’s al aan hun eind kwam voordat ze volgroeid waren. Dat zou dan weer het gevolg kunnen zijn van het feit dat deze dieren, zeker zolang ze nog niet volgroeid waren, gemakkelijk ten prooi viel aan roofdieren. Gezien het feit dat sauriërs de fauna in het Mesozoïcum lijken te hebben gedomineerd, vielen de jonge dino’s waarschijnlijk ten prooi aan andere sauriërs. Onder de prooidieren moeten zowel de vlees- als de plantetende dino’s worden gerekend.


Doorsnede door het bot van een vrouwelijk exemplaar van Tenontosaurus, waarin zowel schors (cortex) als het kalkhoudende weefsel (medullary bone tissue) zichtbaar zijn

Dit blijkt uit onderzoek van de botten van grote aantallen dinosauriërs. In vier gevallen vonden onderzoekers daarin bij microscopische analyse van dwarsdoorsneden dat daarin een weefsel aanwezig was dat identiek is aan weefsels zoals die nu op de rand van de mergholtes voorkomen in de botten van (uiteraard) vrouwelijke vogels die op korte termijn eieren zullen leggen. Dit calciumrijke weefsel dient als voorraad voor de opbouw van de schaal van de eieren die snel gelegd zullen worden. Dat dino’s eieren legden is bekend uit de vondst van duizenden dinonesten met eieren.

De dinobotten waarin dit bijzondere weefsel werd aangetroffen, behoorden toe aan een Allosaurus (een vleeseter) van omstreeks 10 jaar oud (1 bot) en een Tenontosaurus (een planteneter) van 8 jaar (2 botten); beide geslachten kunnen, zoals bekend uit andere hotten, leeftijden van zeker 30 jaar bereiken. Dat het om nog onvolgroeide individuen gaat, blijkt ook uit de grootte van de botten. In aanvulling op hun onderzoek melden de onderzoekers dat eerder in een bot van een 18 jaar oude Tyrannosaurux rex ook dergelijk weefsel is aangetroffen. In al deze gevallen moeten de botten afkomstig zijn van een vrouwtjesdino die omkwam enkele weken voordat ze eieren zou leggen (de calciumhoudende weefsels bestaan alleen zo’n 3-4 weken voor het leggen van de eieren).


Een klauw van Allosaurus


Skelet en schedel van Tenontosaurus


Dat laatste verklaart waarom niet veel vaker botten met dit type weefsel zijn aangetroffen. Daarbij moet overigens wel worden bedacht dat van sommige soorten dino’s zo weinig botten zijn gevonden dat die niet voor het noodzakelijke destructieve onderzoek beschikbaar zijn. De onderzoekers willen daarom nu gericht gaan zoeken naar dergelijke weefsels in botten van soorten waarvan wel veel materiaal beschikbaar is.

De onderzochte botten van Tenontosaurus behoorden toe aan een exemplaar die 125-106 miljoen jaar geleden (Vroeg-Krijt) in Noord-Amerika leefde (vooral in Oklahoma zijn veel exemplaren gevonden). Deze planteneter had een lange staart, kon tot zo’n 9 m lang worden, en liep op vier poten. Het gewicht bedroeg 1000-2000 kg. Het bot van Allosaurus kwam van een exemplaar dat 155-145 miljoen jaar geleden (Laat-Jura) in Utah.

Referenties:
  • Lee, A.H. & Werning, S., 2008. Sexual maturity in growing dinosaurs does not fit reptilian growth models. Proceedings of the Academy of Sciences of the United States 105, p. 582-587.

Samengestelde figuren: tekeningen van Andrew Lee (Ohio University); foto’s: University of Utah.

896 Scheepssporen vanuit de ruimte
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Iedereen kent de vliegtuigstrepen die ontstaan doordat waterdamp druppeltjes vormt rond de zeer fijne deeltjes die door de vliegtuigmotoren worden uitgestoten. De condensatie vanuit de in de lucht reeds aanwezige waterdamp houdt mede verband met de temperatuurverandering die plaatsvindt door de uitstoot van de hete uitlaatgassen.

Ook bij gemotoriseerde schepen vindt dit proces plaats, maar vaak is de pluim van waterdamp die uit de schoorstenen van deze schepen komt (net als de 'wolken' die uit de koeltorens van elektriciteitscentrales opstijgen ten onrecht vaak aangeduid als een rookpluim; een rookpluim bestaat in feite uit deeltjes en onvolledig verbrande uitlaatgassen, zoals vroeger zichtbaar uit de schoorsteen van kolengestookte huizen) al na korte tijd geheel opgelost. Die oplossing gebeurt onder meer doordat de temperatuur van de 'wolk' niet langer voldoende afwijkt van de lucht daaromheen.

Boven zee bevat de lucht gewoonlijk veel minder deeltjes die als condensatiekern kunnen dienen dan boven land. Het gaat vooral om zeer kleine zoutdeeltjes die bij het spatten van water kunnen vrijkomen. Wanneer echter een gemotoriseerd schip op zee vaart, dan introduceert die daar in de 'uitlaatgassen' een grote hoeveelheid fijne deeltjes die in de verder vaak vrijwel ongestoorde, uitgestrekte luchtpakketten terecht komen. Die deeltjes dienen dan als condensatiekern waarop de in de lucht aanwezige watermoleculen gemakkelijk als kleine druppeltjes neerslaan. Zo ontstaan achter het schip scheepssporen, die in veel opzichten met vliegtuigstrepen zijn te vergelijken.


Diverse scheepsporen boven de Stille Oceaan

Voor aardwetenschappers die zich bezighouden met wolkvorming - en daarmee ook met het klimaat - zijn dergelijke sporen zeer interessant, juist omdat de lucht waarin deze sporen ontstaan in het algemeen veel minder turbulent is dan de lucht boven land. Het ontrafelen van de opeenvolgende processen die een rol spelen bij het ontstaan en weer verdwijnen van deze 'wolken' is dus veel gemakkelijker boven zee dan boven het land, waar veel meer interactie met andere processen optreedt.

Uit het onderzoek van scheepssporen blijkt dat wolken die ontstaan rondom aerosolen (met zeer fijne deeltjes geladen lucht, zoals sigarenrook) die door menselijk handelen ontstaan, veel lichtergekleurd zijn dan andere typen wolken. Dat komt doordat door de mens veroorzaakte aerosolen in het algemeen veel fijnere deeltjes bevatten dan natuurlijke aerosolen; daardoor worden er ook kleinere waterdruppeltjes gevormd. En wolken die bestaan uit een relatief groot aantal kleine druppeltjes reflecteren meer licht dan wolken die bestaan uit grote druppels. Dat is een gevolg van het feit dat kleine waterdruppeltjes per volume een groter oppervlak hebben waartegen het licht kan terugkaatsen.

De lichtgekleurde - door de mens veroorzaakte - wolken kaatsen dus meer zonlicht terug naar de ruimte dan natuurlijke wolken. Daardoor bereikt minder zonlicht de aarde, wat in principe leidt tot een zekere mate van afkoeling. De uitstoot van 'uitlaatgassen' heeft dus niet alleen een temperatuurverhogend effect als gevolg van de toename van broeikasgassen in de atmosfeer, maar ook een afkoelend effect. Hoe die effecten zich ten opzichte van elkaar verhouden, is niet goed bekend.

Wel bekend is dat door de mens veroorzaakte wolken in sommige milieus minder neerslag kunnen veroorzaken. Er vormen zich immers wel wolken rondom de condensatiekernen, maar de waterdruppeltjes zijn te klein om uit te regenen. In andere, hete en vochtige milieus, kunnen ze daarentegen de neerslag juist doen toenemen doordat ze de vorming van zware onweerstormen bevorderen.

Op de foto, die vanuit de Naslasatelliet Aqua is gemaakt met een Moderate Resolution Imaging Spectroradiometer (MODIS) zijn de lichtgekleurde scheepssporen in de Stille Oceaan duidelijk van andere wolken te onderscheiden door hun smalle en langgerekte karakter, maar vooral door hun lichter kleur.
Referenties

Referenties:
  • Anonymus, 2008. Ship tracks off British Columbia. NASA Earth Observatory - Natural Hazards (http://earthobservatory.nasa.gov/NaturalHazards/shownhphp3?img_id=14707).

Foto: NASA Earth Observatory.

897 Microben kunnen winning van olie en gas uit teerzanden versnellen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Olie, Gas & Mijnbouw !

Er bestaan enorme olievoorraden in de wereld die moeilijk zijn te ontginnen omdat het gaat om teerachtige producten die alleen met grote moeite vloeibaar zijn te krijgen. Voorbeelden zijn olieschalies en - vooral - de teerzanden zoals die onder meer in Canada voorkomen (de Tabasco teerzanden in de omgeving van Fort MacMurray). Deze zeer stroperige koolwaterstoffen krijgen hun karakter doordat bepaalde bacteriën bij hun stofwisseling organische stoffen omzetten in teerachtige producten, waarbij bovendien vervuilende stoffen zoals zwavel vrijkomen. Er bestaan echter ook bacteriën die hun energie verkrijgen door het omzetten van teerachtige koolwaterstoffen, waarbij de vrijwel vaste tot zeer visceuze soorten worden omgezet in zeer vloeibare of zelfs gasvormige koolwaterstoffen zoals methaangas. Dat gebeurt op een wijze die voor het milieu geen schadelijke gevolgen heeft.


Onderzoekers Jennifer Adams en Steve Larter

Een internationaal onderzoeksteam is nagegaan hoe deze omzettingen plaatsvinden. De doelstelling van dat onderzoek was uiteraard om na te gaan of de inzet, op enigerlei wijze, van microorganismen zou kunnen bijdragen aan een milieuvriendelijker ontginning van de teervoorkomens. Dat zou een grote vooruitgang betekenen ten opzichte van de huidige wijze van exploitatie, die gewoonlijk is gebaseerd op processen waarvoor een grote hoeveelheid warmte is vereist (bijv. injectie van de teerzanden met stoom om de koolwaterstoffen dunner vloeibaar te maken) en die alleen al daarom milieuonvriendelijk en weinig kosteneffectief is.

Volgens onderzoeker Steve Larter zou de door microben omgezette olie veel schoner zijn dan de meeste nu gewonnen olies. Het gevormde methaangas levert bij verbranding ook nog eens veel minder CO2 per opgewekte energiehoeveelheid dan wanneer zeer stroperige koolwaterstoffen worden verbrand. Dat alles bij elkaar was een goede reden om de microbiële processen precies in kaart te brengen.


Teerzand is niet bepaald een lekker goedje


Grootschalige winning van teerzand leidt nu
tot grote milieuschade


Tot nu toe werd gedacht dat de bacteriën die deze gunstige omzettingsprocessen verzorgen - in tegenstelling tot de microben die de teerachtige stoffen vormen - organismen zijn die voor hun voortbestaan van zuurstof afhankelijk zijn. Het nieuwe onderzoek toont echter aan dat dat niet het geval is: de omzetting in lichter koolwaterstoffen vindt plaats via een vergistingsproces, waarbij de hoofdrol wordt gespeeld door microorganismen die wel degelijk van zuurstof afhankelijk zijn. De onderzoekers toonden dat aan via experimenten in het veld, door laboratoriumonderzoek, en door de eigenschappen van olies en microorganismen in olievelden te bestuderen. Dat betekent dat het omzettingsproces van teerachtige koolwaterstoffen in beter winbare en schonere producten zou kunnen worden bevorderd door de 'goede' bacteriën een handje te helpen. Door ze op de juiste wijze te 'voeden', zouden ze de teerachtige stoffen veel sneller in methaangas kunnen omzetten dan onder natuurlijke omstandigheden. Volgens Larter zou dat proces, wat in de natuur vaak zo’n 10 miljoen jaar duurt, op deze wijze tot 10 jaar kunnen worden ingekort.

Bij het onderzoek bleek ook dat in het omzettingsproces op z’n minst twee stappen omvat. Wanneer de olie iets is omgezet, wordt een aparte groep microben actief die uit de olieproducten waterstof en kooldioxide produceren. Uit het kooldiode wordt vervolgens, door chemische reductie methaangas gevormd. Dit betekent dat er bij dit proces geen of nauwelijks CO2 vrijkomt dat als broeikasgas in de atmosfeer terecht zou kunnen komen.

Niet alleen zou dat de winning van de ongeveer 6000 miljard vaten olie die nu in de vorm van teerachtige producten voorkomen in de natuur binnen afzienbare termijn veel beter mogelijk maken, maar ook zou een veel groter deel dan tot nu toe mogelijk is gewonnen kunnen worden: nu kan uit deze voorkomens niet veel meer dan 17% van de aanwezige koolwaterstoffen worden gewonnen. Daardoor zouden veel van de huidige spanningen op de olie- en energiemarkten tot het verleden gaan behoren.

Referenties:
  • Jones, D.M., Head, I.M., Gray, N.D., Adams, J.J., Rowan, A.K., Aitken, C.M., Bennett, B., Huang, H., Brown, A., Bowler, B.F.J., Oldenburg, T., Erdmann, M. & Larter, S.R., 2008. Crude-oil degradation via methanogenesis in subsurface petroleum reservoirs. Nature 451, p. 176- 180.

Foto van de onderzoekers: University of Calgary.

898 Natuurlijke blauwe diamanten kunnen rood oplichten, kunstmatige niet
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Mineralen !

Wanneer natuurlijke blauwe diamanten worden bestraald met ultraviolet licht, dan verandert hun blauwe kleur gewoonlijk in rood tot roodomrande, en die kleur blijft nog zo’n vijf minuten tot na de bestraling behouden. Kunstmatig gefabriceerde of blauw gekleurde diamanten geven dan een blauwgroene kleur. Het rood oplichten was al tijden bekend van de Hope diamant, maar veel van de consequenties zijn pas door recent onderzoek duidelijk geworden.


Collier met de Hope diamant bij daglicht (foto Chip Clark)

De blauwe Hope diamant kwam in het midden van de 17e eeuw in een Indiase diamantmijn tevoorschijn. Hij had oorspronkelijk het onwaarschijnlijk hoge gewicht van 112 karaat, en was bovendien zeer zuiver (d.w.z. dat er geen met het blote oog geen insluitsels in konden worden waargenomen). Uit de ruwe steen werd een steen van 67 karaat geslepen, die de naam " Franse Blauwe" kreeg omdat hij in het bezit kwam van de Franse koningen. Gedurende de Franse Revolutie ging hij verloren, maar in 1812 dook hij in veranderde (en dus kleinere: 45 karaat) vorm weer op. Sindsdien staat hij bekend als de Hope diamant. Deze steen wordt tentoongesteld in het Smithonian Museum (Washington). Daar vormt hij waarschijnlijk het meest bezochte museumstuk ter wereld. Onderzoekers die de steen op enigerlei wijze willen analyseren, kunnen de diamant daarvoor niet naar hun onderzoeksinstituut laten komen: ze moeten samen met hun onderzoeksapparatuur, hoe groot en moeilijk transporteerbaar die ook is, naar het museum komen. Daar kan de steen, uiteraard onder strikte voorwaarden en veiligheidsvoorzieningen, tijdens de uren dat het museum is gesloten, dan worden onderzocht.

Dat is nu dus opnieuw gebeurd, door medewerkers van het Smithsonian zelf, samen met onderzoekers van het Naval research Institution en PennState University. Bij het onderzoek waren, behalve de Hope diamant, nog meer blauwe diamanten betrokken. Van alle stond vast dat hun blauwe kleur van nature aanwezig was. Tot de onderzochte stenen behoorden ook het Blauwe Hart (de op één na grootste blauwe diamant), de Portugese Diamant en 64 andere. Al deze stenen werden belicht met ultraviolette straling, en slechts vijf daarvan bleken geen fosforescentie te vertonen (de eigenschap dat na bestraling nog enige tijd licht wordt afgegeven). Het optreden van fosforescentie treedt niet op bij anders gekleurde diamanten; die vertonen alleen fluorescentie (d.w.z. dat ze alleen een kleur uitstralen zolang ze zelf bestraald worden).


De Hope diamant kleurt fel rood onder ultraviolette straling (foto John Nels Hatleberg)

Het was al langer bekend dat de Hope diamant fluorescentie vertoont en bij bestraling met UV-licht een rode kleur krijgt. Dat was zo'n opvallende eigenschap, dat aanvankelijk werd gedacht dat alle blauwe diamanten die rood fluoresceren, ‘restanten’ waren die bij het bewerken van de oorspronkelijke steen waren overgebleven. Dat blijkt dus niet juist te zijn. Wel blijkt uit het huidige onderzoek dat de blauwe diamanten die fluorescentie vertonen daarbij allemaal hun eigen, specifieke roodachtige kleur hebben. Die kleuren zijn zo specifiek dat de stenen die van dezelfde moedersteen afkomstig zijn, daardoor te identificeren zijn. Ook blijken zo natuurlijke diamanten van kunstmatige te onderscheiden.

Deze identificatietechniek berust op spectroscopische analyse, een niet-destructieve methode waarbij licht op een voorwerp wordt gestraald, waarna de golflengte van het door dat voorwerp uitgezonden licht wordt gemeten. De onderzoekers stelden vast dat bij bestraling van de blauwe diamanten met ‘kort’ UV-licht het door de diamanten uitgezonden licht een golflengte had van hetzij ongeveer 500 nm (blauwgroen licht) hetzij 600 nm (rood licht). Bij bestraling met langgolvig UV-licht werd door de blauwe diamanten alleen rood licht uitgezonden.

Interessant is ook het resultaat dat verkregen werd met kunstmatige diamanten. Net als bij natuurlijke diamanten berust de kleur daarvan op de aanwezigheid van ‘vreemde’ elementen. Bij blauwe diamanten is dat boron, voor bijv. gele diamanten is dat stikstof. Ondanks de gelijke aard van de verontreinigingen blijken natuurlijke en kunstmatige diamanten toch verschillend te reageren op UV-straling: de kunstmatige blauwe diamanten zenden geen rood licht uit. Tot nu toe kon in veel gevallen niet met zekerheid worden vastgesteld of een blauwe diamant kunstmatig of natuurlijk is. Nu is de al dan niet natuurlijke oorsprong, die een belangrijke rol speelt bij de prijsbepaling, dus wel met zekerheid vast te stellen.

Referenties:
  • Eaton-Magaña, S., Post, J.E., Heaney, P.J., Freitas, J., Klein, P., Walters, R. & Butler, J.E., 2008. Using phosphorescence as a fingerprint for the Hope and other blue diamonds. Geology 36, p. 83-86.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Sally Magaña, Gemological Institute of America, Carlsbad, CA (Verenigde Staten van Amerika).

899 Abrupte klimaatveranderingen tasten biodiversiteit in diepe zeeën sterk aan
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Vaak wordt gedacht dat - geologisch gezien - abrupte klimaatveranderingen vooral het leven op het land en in oppervlaktewateren beïnvloeden. De diepzee zou daarvan echter nauwelijks iets merken. Dat idee is in de afgelopen jaren echter onjuist gebleken want de ecosystemen in de diepzee blijken juist zeer fragiel. Onderzoek van een boorkern toont nu ook aan dat de leefgemeenschappen van benthische (op de zeebodem levende) ostracoden tijdens enkele uitzonderlijke klimaatveranderingen van de afgelopen 20.000 jaar ineenstortten.


Scanning-electron microscope (SEM) foto's van enkele onderzochte diepzee-ostracoden

De onderzochte ostracoden kwamen uit een boorkern uit het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan. Om veranderende leefomstandigheden vast te stellen zijn ostracoden zeer geschikt, want de soorten van deze tweekleppige arthropoden vertonen sterke voorkeuren wat betreft hun leefmilieu. Ze komen bovendien in grote aantallen voor en fossiliseren gemakkelijk. Het gevolg daarvan is dat onderzoek van de opeenvolgende lagen in een sedimentpakket (dus ook van een boorkern) een goed inzicht geeft in veranderende leefomstandigheden.


Het onderzoekschip JOIDES Resolution (foto IODP), waarmee de boring werd uitgevoerd

Uit de onderzochte boorkern (No. 1055B van het Ocean Drilling Program), die werd verkregen met een speciale boortechniek vanaf het onderzoekschip JOIDES Resolution, konden sedimenten uit de laatste 20.000 jaar worden onderzocht. In dit geologisch gezien nogal korte tijdsinterval kwamen zes momenten voor waarop aanzienlijke veranderingen in de oceanen optraden als gevolg van abrupte klimaatfluctuaties. Dat betreft Heinrich Event 1 (de laatste gebeurtenis waarbij een enorm ijsveld losbrak van de noordelijke ijskap en in de Atlantische Oceaan naar het zuiden wegdreef, waarbij het smeltwater het oceaanwater significant afkoelde), een koud interval (13.100 jaar geleden) gedurende het Allerød (een warmere fase tijdens het laatste deel van de laatste ijstijd), de Jonge Dryas (12.900-11.500 jaar geleden) en drie momenten gedurende het Holoceen.

In al deze gevallen is ook sprake van een plotselinge verstoring van de ostracodenfauna. Het sterkst waren de verstoringen gedurende de Allerød en de Jonge Dryas, waarbij ongeveer de helft van de soorten verdween. Er was dus in feite sprake van het ineenstorten van het ecosysteem. De ostracodenfauna ter plaatse kreeg pas ongeveer 8000 jaar geleden weer het 'oude' aantal soorten. Dat ging bovendien niet vanzelf, maar vond pas plaats toen water uit de Labrador-Zee voor een positieve verandering van het milieu zorgde. Zolang de ostracodenfauna op de diepzeebodem de klap nog niet te boven was, werd de beschikbaar gekomen 'ruimte' vooral ingenomen door soorten die eerder vooral op de continentale helling leefden.


Het principe van de techniek waarmee boringen werden uitgevoerd (IODP)

Een belangrijke vraag is uiteraard waardoor precies de ostracodenfauna op de diepzeebodem bij klimaatveranderingen zo sterk te lijden heeft. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de eigenschappen van de bodem waarop de benthische ostracoden leefden, veranderden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren doordat de gewijzigde circulatiepatronen van het dieptewater ander sediment aanvoerden. Daarnaast kan een rol spelen dat de fauna in de oppervlaktewateren van de klimaatveranderingen te lijden had. Daardoor zouden er dan minder organismen in het oppervlaktewater hebben geleefd, en dus zouden er ook minder afgestorven organismen naar de zeebodem zijn gezonken, waardoor er minder voedsel voor de benthische ostracoden beschikbaar kwam.

Referenties:
  • Yasuhara, M., Cronin, Th.M., deMenocal, P.B., Okahashi, H. & Linsley, B.K., 2008. Abrupt climate change and collapse of deep-sea ecosystems. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America 105, p. 1556-1560.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door Moriaki Yasuhara, Department of Paleobiology, National Museum of Natural History, Smithsonian Institution, Washington, DC (Verenigde Staten van Amerika).

900 Vulkanisch CO2 werd tijdens Sneeuwbal Aarde door oceanen opgenomen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Hoewel de hypothese nu onder geologen algemeen bekend is, werd het idee van 'Sneeuwbal Aarde' pas in 1992 gelanceerd. De hypothese is gebaseerd op het voorkomen van glaciale (en vooral glaciomariene) afzettingen uit het Proterozoïcum op plaatsen die volgens paleogeografische reconstructie destijds op vrijwel alle breedtegraden - dus ook in de tropen - lagen. Dat lijkt alleen te verklaren door een situatie waarbij de hele aarde, inclusief alle oceanen, met ijs is bedekt. Dit zou diverse malen in het Proterozoïcum het geval zijn geweest, maar vooral het laatste deel van het Proterozoïcum (het Neoproterozoïcum) zou een langdurige koude tijd hebben doorgemaakt (het Crygenium) waarin twee- of wellicht zelfs driemaal sprake zou zijn geweest van een volledig door ijs bedekte aarde. De twee eerste ijstijdvakken van het Cryogenium waren het Sturtian (ca. 740 miljoen jaar geleden) en het Marinoan (640 miljoen jaar geleden); vooral het Marionoan zou een periode zijn geweest waarin de hele aarde met een dikke ijslaag was bedekt: de gemiddelde temperatuur op aarde zou ongeveer 50 °C onder het vriespunt zijn geweest. Het laatste ijstijdvak van het Cryogenium zou hebben plaatsgevonden vlak voor de periode waarin de merkwaardige Ediacara-fauna ontstond (het Ediacaran).


Verspreiding van glaciale afzettingen uit het oudste ijstijdvak
(Sturtian) van het koude laatste deel (Cryogenium) van het Neoproterozoïcum

Deze intrigerende hypothese heeft grote belangstelling getrokken en veel nieuw onderzoek uitgelokt. Daarbij kwamen tal van feiten aan het licht die twijfel deden rijzen aan een volledige ijsbedekking van de aarde. Ook op theoretische gronden werden er tal van vragen opgeworpen die niet goed met de 'Sneeuwbal Aarde' zijn te beantwoorden. Zo wordt er tegenwoordig veelal van uitgegaan dat er in tropische delen van de oceanen ijsvrije delen voorkwamen waardoor primitieve mariene organismen aan voldoende energie (in de vorm van zonlicht) konden komen om in leven te blijven en zich te kunnen voortplanten. Ook wordt er wel gedacht dat er geen sprake was van een echte 'Snowball Earth', maar eerder van een 'Slushball Earth', een aarde als een waterige sneeuwbal. Daarnaast zijn er ook veel aardwetenschappers die de mening zijn toegedaan dat er van een Snowball Earth of een Slushball Earth helemaal geen sprake is geweest.


Verspreiding van glaciale afzettingen uit het
middelste ijstijdvak (Marinoan) van het Cryogenium


Verspreiding van glaciale afzettingen uit het
jongste ijstijdvak (Sturtian) van het Cryogenium


Deze controverse geeft aan dat er nog veel te weinig harde gegevens beschikbaar zijn om een gefundeerd oordeel over de juistheid van de hypothese te kunnen vellen. Een van de aspecten waarnaar veel onderzoek wordt verricht, is de samenstelling van de atmosfeer. Vooral de concentratie van kooldioxide (CO2) is immers van groot belang voor de temperatuur, en een hoog gehalte aan het broeikasgas CO2 in de atmosfeer is moeilijk te combineren met een extreem lage temperatuur. Het gehalte aan CO2 in de atmosfeer zou gedurende de perioden van Sneeuwbal Aarde niettemin voortdurend zijn gestegen, want er werd bij gebrek aan planten (mariene algen) geen CO2 aan de atmosfeer onttrokken, er vond geen (CO2 kostende) verwering van gesteenten op het land plaats, en er konden - in tegenstelling tot nu - geen grote hoeveelheden CO2 in de oceaan worden opgeslagen (omdat die immers bevroren was). Daarentegen moet er wel 'nieuw' CO2 in de atmosfeer terecht zijn gekomen door de activiteit van vulkanen. Weliswaar waren ook die vulkanen met ijs bedekt, maar net als nu bij een subglaciale vulkaan op IJsland het geval is moet de enorme vulkanische hitte voldoende zijn geweest om het ijs ter plaatse gedurende de eruptie te doen smelten, zodat de CO2-houdende vulkanische gassen toch direct in de atmosfeer terechtkwamen.

De concentratie van atmosferische CO2 moet dus tijdens Sneeuwbal Aarde steeds verder zijn opgelopen, mogelijk tot niveaus die we thans bij een 'Superbroeikas Aarde' vinden passen. Dit betekent dat een Sneeuwbal Aarde op termijn als het ware vanzelf verandert in een Broeikas Aarde (of erger).


Glaciomariene afzettingen uit het Marinoan van
Namibië


Volledige ijsbedekking leidt op termijn tot een
broeikaseffect!


Hoe kan het dan dat Sneeuwbal Aarde (als die al bestond) maximaal tot wel zo'n 30 miljoen jaren kon voortduren? Daarna is onderzoek gedaan door een aantal Frans onderzoekers, die daartoe een (numeriek) model ontwikkelden. Uit hun model blijkt dat een kleine ijsvrije ruimte in de oceaan al voldoende is om het 'teveel' aan atmosferisch CO2 door het zeewater te doen opnemen. Het zou hierbij als het ware kunnen gaan om de ijsvrije delen van de oceaan die volgens andere onderzoekers toch al moeten hebben bestaan om het toenmalige primitieve leven in zee te laten voortbestaan.

Door de opname van CO2 in het zeewater moet de zuurgraad van de zee aanzienlijk zijn toegenomen. Die toegenomen zuurgraad leidde er vervolgens toe dat de verwering van de oceanische korst bij de toen heersende lage temperaturen sterk versnelde, waarbij veel CO2 werd gebruikt. Daardoor nam de concentratie van CO2 in het zeewater af, waardoor er weer gemakkelijker CO2 uit de atmosfeer kon worden opgenomen. Zo kon het CO2-gehalte in de atmosfeer niet genoeg toenemen om de temperatuur zodanig te doen stijgen dat de ijskappen afsmolten. Dit resultaat maakt veel duidelijk, maar de onderzoekers wijzen erop dat er nog het nodige onderzoek gedaan moet worden om vast te stellen door welke oorzaken het CO2-gehalte in de atmosfeer dan wel zodanig kon toenemen dat het voldoende warm werd om een einde aan Sneeuwbal Aarde te maken.

Referenties:
  • Le Hir, G., Ramstein, G., Donnadieu, Y. & Goddéris, Y., 2008. Scenario for the evolution of pCO2 during a nowball Earth. Geology 36, p. 47-50.

Illustraties van de website 'Snowball Earth' van Paul Hoffman, Department of Earth and Planetary Sciences at Harvard University, Cambridge, MA (Verenigde Staten van Amerika): http://www.snowballearth.org/


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl