NGV-Geonieuws 155

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


1 December 2008, jaargang 10 nr. 12

Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon
Geologisch Instituut, Adam Mickiewicz Universiteit, Poznan (Polen)

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 991 Cambrische arthropoden zwommen in processie
  • 992 Oplosbaarheid CO2 verklaart verband tussen klimaat en aardmagnetisch veld
  • 993 Indicatie voor opaal suggereert langdurig nat Mars
  • 994 Nieuw leven voor theorie over ontstaan van leven
  • 995 Barnsteen uit Krijt bevat mariene microfossielen
  • 996 Fossiele lekkage van methaangas uit de zeebodem
  • 997 Een bijzonder dinonest
  • 998 Bijzonder wolkendek boven Sichuan-Bekken
  • 999 Ook mineralenrijk vertoont evolutie
  • 1000 Terug- en vooruitblik vanaf een mijlpaal

    << Vorige uitgave: 154 | Volgende uitgave: 156 >>

991 Cambrische arthropoden zwommen in processie
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

In Nederland kennen we het verschijnsel onder meer van de eikenprocessiekruis: grote aantallen van deze rups kruipen kop aan kont van de ene boom naar de andere, vaak over wegen waar ze dan door het verkeer in duizenden tegelijk worden verpletterd. Ook dennenbomen hebben in Europa met een dergelijke rups te maken. Deze rupsenprocessies krijgen bijna jaarlijks veel aandacht, niet alleen vanwege het opvallende verschijnsel van hun gezamenlijke tocht, maar ook omdat de rupsen haren bevatten waarmee ze hun belagers ernstige jeuk en uitslag kunnen bezorgen.

De rupsenprocessies vormen een van de talrijke voorbeelden van collectief gedrag bij dieren. Over zulk gedrag is fossiel echter nauwelijks iets bekend. Des te opmerkelijker is een vondst die is gedaan in de beroemde Vroeg-Cambrische fossielvindplaats Chengjiang (China). Onderzoekers hebben daar op Waptia gelijkende arthropoden van enkele centimeters groot aangetroffen die eveneens processies vormden. En het gaat niet om een toevalligheid: de onderzoekers troffen maar liefst 22 ketens van deze dieren aan, tegenover slechts één individueel exemplaar. De diverse ketens bestaan elk uit 2-20 individuen.


De ketens en individuele exemplaren.
A: Een sterk vervormd exemplaar uit een keten.
B: Keten van ca. 20 individuen.
C: zijaanzicht van gekoppelde individuen.
D: Bovenaanzicht van een individu.
E-G: Reconstructie van de Waptia-achtige arthropode in rug- (E), buik (F) en zij- (G) aanzicht.

Opvallend is dat het niet lijkt te gaan om exemplaren die achter elkaar aanliepen in een gegraven gang, en dat ze evenmin over het sedimentoppervlak lijken te hebben gelopen. Volgens de onderzoekers moeten ze, op een stevige wijze aan elkaar gekoppeld, hebben gezwommen en zijn ze om de een of andere (vooralsnog mysterieuze) reden als keten gezonken en vervolgens begraven. Ook bij het zinken van de keten en bij het (dood?) liggen op de zeebodem zijn ze aan elkaar gekoppeld gebleven. Ook al omdat veel exemplaren zijn verwrongen, moet de koppeling aan elkaar dus bijzonder stevig zijn geweest.

De zaak wordt nog merkwaardiger als men beseft dat dergelijk gedrag van ook hedendaagse arthopoden onbekend is. Bovendien is de koppeling een raadsel. Van tal van dieren (zoals de processierupsen, maar ook mieren en zelfs kreeften) is bekend dat ze in lange rijen achter elkaar kunnen lopen, maar dat is altijd in de vorm van ongekoppelde individuen, ook als ze - zoals bij de eikenprocessierups - elkaar wel aanraken. De onderzoekers kunnen naar het nut van de koppeling dan ook slechts gissen. Ze opperen dat een mogelijkheid is dat bij de aanval door een roofdier sommige exemplaren meer kans zouden hebben om te overleven, maar ook daarin lijken ze zelf niet erg te geloven. Waarschijnlijker is volgens hen dat de koppeling gebeurde omdat gezamenlijk het horizontaal en/of verticaal bewegen minder energie kostte dan wanneer ieder individu zelf daarvoor had moeten zorgen, bijv. op zoek naar voedsel.

Referenties:
  • Hou, X.-G., Siveter, D.J., Aldridge, R.J. & Siveter, D.J., 2008. Collective behavior in an Early Cambrian arthropod. Science 322, p. 224.

Figuur: Pharyngula.

992 Oplosbaarheid CO2 verklaart verband tussen klimaat en aardmagnetisch veld
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Geofysica ! Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Er wordt al jaren verondersteld dat er een verband bestaat tussen de sterkte van het aardmagnetisch veld en het wereldwijde klimaat. Er was tot nu toe echter geen enkel mechanisme dat zo'n verband zou kunnen verklaren. Onderzoekers van de Ludwig-Maximilians-Universität in München hebben nu echter een mechanisme ontdekt dat zo'n verband zou kunnen bewerkstelligen. Ze namen waar dat zeewater minder CO2 kan opnemen naarmate het aardmagnetisch veld zwakker is (en het veld wordt al jarenlang steeds zwakker). Dit betekent dat de oceaan mogelijk al jarenlang meer CO2 naar de atmosfeer afgeeft dan het zelf opneemt. Daarmee neemt de concentratie van het broeikasgas CO2 in de atmosfeer dus extra hard toe. Het gaat waarschijnlijk om veel geringere hoeveelheden dan voor de verbranding van fossiele brandstoffen op de atmosfeer worden geloosd, maar het lijkt goed mogelijk dat het om hoeveelheden gaat die de - ook zeer grote - uitstoot door vulkanen overtreffen. In hoeverre dat resulteert in een meetbare verhoging van de temperatuur is vooralsnog onduidelijk, maar het lijkt wel een factor waarmee klimaatmodellen rekening moeten houden.


Een van de laboratoria waar het onderzoek
werd uitgevoerd


Gebruikte meetapparatuur


Het verband tussen klimaat en aardmagnetisch veld werd allang verondersteld op basis van geo/archeologische studies. Daaruit blijkt onder meer dat abrupte toenames van het aardmagnetisch veld in de laatste 4000 jaar voor Christus samenvallen met snelle temperatuurdalingen. Ook sinds 700 na Christus treden vergelijkbare correlaties op. De voortdurende afname van het aardmagnetisch veld sinds de metingen 150 jaar geleden begonnen, verbaast dan ook weinig van de betrokken onderzoekers, maar men durfde nauwelijks van een oorzakelijk verband te spreken omdat er geen verklarend mechanisme bekend was. Dat is er nu dus wel.


Onderzoeksleider Alexander Pazur

In privécorrrespondentie wijst Winklhofer erop dat bij het onderzoek ook een duidelijk verband is gevonden tussen de veldsterkte en de viscositeit van zeewater. Dat is in deze context van belang omdat viscositeit de cohesie weerspiegelt tussen de moleculen van het oplosmiddel, en deze cohesie speelt op zijn beurt weer een rol bij de oplosbaarheid van gassen. Overigens wijzen uitgevoerde experimenten erop dat een en ander niet opgaat als er geen ionen in de oplossing aanwezig zijn. Zeewater zit vol ionen, en het is mogelijk dat het werkelijke effect van variaties in het aardmagnetisch veld op de oplosbaarheid van CO2 iets minder groot is dan de uitgevoerde experimenten aangeven.

Verder wijst Winklhofer erop dat er niets bekend is over de mogelijke afhankelijkheid dat het effect van het aardmagnetisch veld op de oplosbaarheid van CO2 in zeewater kan ondervinden van variaties in hydrostatische druk en temperatuur. Er blijft dus ook nu nog heel wat uit te zoeken.

Referenties:
  • Pazur, A. & Winklhofer, M., 2008. Magnetic effect on CO2 solubility in seawater: a possible link between geomagnetic field variations and climate. Geophysical Research Letters 35 (16), L16710, doi: 10.1029/2008GL034288.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Alexander Pazur, Department of Biology I, Ludwig-Maximilians-Universität München (Duitsland).

993 Indicatie voor opaal suggereert langdurig nat Mars
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie !

Mars beschikte waarschijnlijk een miljard jaar langer dan eerder werd gedacht over vloeibaar water aan zijn oppervlak. Dat betekent dat stromend water langdurig een rol moet hebben gespeeld bij de morfologische ontwikkeling van het Marsoppervlak. Een andere mogelijke consequentie is dat Mars relatief lang een milieu heeft gekend waarin leven tot ontwikkeling kon komen. Een en ander blijkt uit waarnemingen vanuit de Mars Reconnaissance Orbiter van de NASA met de Compact Reconnaissance Imaging Spectrometer for Mars. Met die spectrometer werd een groep van mineralen herkend die niet eerder op Mars waren aangetroffen. Ze blijken ook nog eens over grote delen van Mars voor te komen.


Een van de vindplaatsen op Mars van opaalachtige silicaten
(foto NASA/Joint Propulsion Laboratory - Caltech / University of Arizona)

Het gaat om waterhoudend silica (SiO2.nH2O) in een vorm die op aarde bekend staat als opaal (er bestaan ook andere vormen van waterhoudend silica, zoals vuursteen). Een dergelijke verbinding wijst op de overvloedige aanwezigheid van water. Op basis van het voorkomen van opaal kan dus worden vastgesteld waar op Mars veel water aanwezig is geweest. Door daarboven ook nog eens uit te zoeken hoe oud de desbetreffende mineralen zijn, kan ook worden vastgesteld wanneer dat water aanwezig moet zijn geweest. En dat blijkt dus veel langer het geval te zijn geweest dan tot nu toe werd gedacht, mogelijk tot tweemiljard jaar geleden.


Ovrzicht vanuit de Mars Reconnaissance Orbiter van Valles Marineris
(© NASA / Mola Science Team / O. De Gourssac - A. Lark)

Tot nu toe waren slechts twee belangrijke groepen kristalwater bevattende mineralen van Mars bekend. Dat waren de fyllosilicaten (die vooral kleien vormen) en bepaalde sulfaten. De fyllosilicaten werden grotendeels meer dan 3,5 miljard jaar geleden door verwering gevormd toen stollingsgesteenten langdurig werden blootgesteld aan water. De kristalwater bevattende sulfaten ontstonden gedurende enkele honderden miljoenen jaren daarna, toen de inmiddels zoute (en soms zure) wateren op Mars verdampten en indampingsgesteenten (evaporieten) chemisch werden neergeslagen.


Artist s impression van de Mars Reconnaissance Orbiter
(NASA/JPL)

Het nu ontdekte derde type, met aan silica gebonden kristalwater, is jonger dan de twee andere typen. De opaalachtige mineralen moeten zijn ontstaan toen gesteenten aan het Marsoppervlak - gevormd do vulkanische activiteit of de inslag van meteorieten - verweerden onder invloed van vloeibaar water. Een van de plaatsen waar uitgestrekte gebieden zijn bedekt met opaal is Valles Marineris, een kloof (of liever: systeem van kloven) die ruim zesmaal zo diep is als de Grand Canyon (zie ook Geonieuws 549). Het opaal komt voor als dunne laagjes die zich ver uitstrekken langs de randen van de kloof, en soms daarin. Recent was ook al opaal gevonden door de Mars Rover Spirit in de Gusev krater, maar daarbij ging het om kleine hoeveelheden van niet goed bekende ouderdom. Bij de nu aangetroffen opaallagen gaat het om (uiteraard relatief) jonge gesteenten.

Op sommige plaatsen blijken de opaalachtige mineralen samen met ijzersulfaten voor te komen. Het gaat daarbij steeds om locaties in of direct rondom drooggevallen riviersystemen. Dit wijst volgens de onderzoekers op een langdurig voorkomen van zure wateren aan het Marsoppervlak. Het ontstaan van de opaalachtige silicaten zou juist op dergelijke locaties plaatsgevonden hebben door de inwerking op gesteenten bij lage temperatuur van zuur water. Omdat de plaatsen waar opaal voorkomt locaties zijn waar het Marsoppervlak lang vloeibaar water bevatte - en omdat eventueel leven daar dus lang de tijd kreeg om zich te ontwikkelen - zijn die locaties volgens de onderzoekers bij uitstek geschikt om te zoeken naar het voorkomen van (al dan niet fossiele) primitieve vormen van leven.

Referenties:
  • Milliken, R.E., Swayze, G.A., Arvidson, R.E., Bishop, J.L., Clark, R.N, Ehlmann, B.L., Green, R.O., Grotzinger, J.P., Morris, R.V., Murchie, S.L., Mustard, J.F. & Weitz, C., 2008. Opaline silica in young deposits in Mars. Geology 36, p. 847-850.

994 Nieuw leven voor theorie over ontstaan van leven
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !

In 1953 publiceerde de chemicus Stanley Miller de resultaten van een wereldberoemd geworden experiment. In een glazen bol met daarin een mengsel van gassen (methaan, waterstof en ammonia) die verondersteld werden de aardatmosfeer van een goede twee miljard jaar geleden te representeren, liet hij een vonk overspringen; daarmee werd bliksem nagebootst. Het bleek dat hierbij enkele aminozuren werden gevormd; aminozuren vormen de bouwstenen van proteïnen, en zijn daarmee een van de meest fundamentele onderdelen van levend organismen. Bij een later experiment voegde hij aan zijn ’oeratmosfeer’ ook hete waterdamp toe, om zo de situatie tijdens en vulkanische uitbarsting te simuleren. Daarmee kreeg Miller nog betere resultaten. Algemeen werd dan ook gedacht dat zo de oorsprong van het leven op aarde duidelijk was geworden. Later werd weliswaar door sommigen getwijfeld of de omstandigheden waaronder het experiment werd uitgevoerd wel overeenkwamen met de werkelijke situatie gedurende de vroege aardgeschiedenis - en ook werden andere theorieën over het ontstaan van leven gelanceerd - maar Miller’s experiment bleef, mede vanwege zijn eenvoud, een belangrijk onderdeel van de - nog steeds voortdurende - discussie over het ontstaan van leven.



Schema van de opstellingen waarmee Miller zijn experimenten uitvoerde

Miller overleed op 20 mei 2007, en een van zijn vroegere studenten, Jeff Bada - inmiddels zelf hoogleraar - erfde zijn wetenschappelijke materiaal. Daaronder bleek zich veel te bevinden wat met de experimenten uit 1953 te maken had: een onderzoeksopstelling, aantekenboeken, gedroogde producten die van de experimenten afkomstig waren, en zelfs een blikje ’oersoep’. Bada werd daardoor aangezet om Millers experimenten te herhalen, waarbij hij vooral geïntrigeerd was door Millers experimenten met een vulkanische atmosfeer. Het was namelijk weliswaar betrekkelijk kort na Millers publicatie al duidelijk geworden dat de vroege aardatmosfeer in zijn totaliteit niet zo reducerend was als Miller destijds veronderstelde, maar in actieve vulkanische gebieden kon dat wel degelijk het geval zijn geweest.


Het originele apparaat van Miller


Ook een blikje ’oersoep’ van Miller werd in
zijn nalatenschap aangetroffen


Bada herhaalde daarom deze experimenten. Destijds had Miller vijf verschillende aminozuren gevonden als resultaat van de ontladingen tijdens zijn proeven. Bada vond er, mede door de nu veel betere analysetechnieken, maar liefst 22. Ook de hoeveelheid aminozuren was bij Bada’s experimenten aanzienlijk groter. Bada en zijn medeonderzoekers komen daarom tot de conclusie dat het wel degelijk mogelijk is dat vroege vulkanen de bakermat waren van de bouwstenen van het leven, en daarmee mogelijk ook van het leven zelf. Ze noemen het echter ook goed mogelijk dat de in de vulkanen gevormde aminozuren met regenwater van de vulkaanhellingen afspoelden naar ondiepe zeeën of poelen, waar het leven zich uit de bouwstenen (verder) kon ontwikkelen.


Enkele van de bewaard gebleven monsters
van Miller


Jeff Bada produceert een elektrische vonk
bij herhaling van Millers experiment


Het is in ieder geval interessant om te zien dat een theorie die destijds veel ophef veroorzaakte en algemeen werd geaccepteerd maar later werd verguisd omdat bepaalde aspecten onvoldoende duidelijk waren, bij een verdere ontwikkeling van de wetenschap opnieuw leven krijgen ingeblazen en weer worden geaccepteerd. Een vergelijking met de ontwikkeling over de inzichten omtrent de continentverschuiving ligt voor de hand.


Jeff Bada bestudeert de resultaten van een nieuwe proef

Referenties:
  • Johnson, A.P., Cleaves, H.J., Dworkin, J.P., Glavin, D.P., Lazcano, A. & Bada, J.L., 008. The Miller volcanic spark discharge experment. Science 322, p. 404.

Illustraties welwillend ter beschikking gesteld door Jeffrey Bada en Annie Reisewitz (Scripps Institution of Oceanography). De schema’s werden verzorgd door Ned Shaw (Indiana University); de foto’s behoren toe aan Scripps Institution of Oceanography, UC San Diego (Verenigde Staten van Amerika).

995 Barnsteen uit Krijt bevat mariene microfossielen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Barnsteen is het verharde equivalent van hars. Vooral coniferen produceren veel hars, al zijn er ook andere boomsoorten die dat doen. Hoewel er ook bomen in moerassige gebieden zijn die hars produceren, is daar nauwelijks iets fossiel van terug te vinden; er zijn slechts enkele voorbeelden bekend van hars met fossielfragmenten van organismen die in een meertje leefden. Bijna alle insluitsels in hars zijn typisch terrestrisch.


Een foraminifeer uit de barnsteen
(© Laboratoire Geosciences Rennes)


Een diatomee uit de barnsteen
(© Laboratoire Geoscince Rennes)


Het komt daarom als een verrassing dat er nu in barnsteen uit Frankrijk mariene organismen zijn aangetroffen. Het gaat om microorganismen van uiteenlopende aard die alle deel uitmaakten van plankton: vooral veel stekels van sponzen, veel diatomeeën (eencellige algen, dus plantaardig plankton), betrekkelijk veel radiolariën (dierlijk plankton), een foraminifeer (ook behorend tot het dierlijk plankton) en de stekel van een stekelhuidige (echinoderm) in het larvale stadium. De barnsteen waarin deze organismen werden aangetroffen, dateert van 100-98 miljoen jaar geleden (Laat-Albien en het Vroeg-Cenomanien), en werd aangetroffen in de Charente (Zuid-West Frankrijk). Er is overigens geen sprake van een kwantitatief enorme hoeveelheid mariene fossielen: van de vele duizenden stukken barnsteen die de onderzoekers bekeken, waren er slechts enkele die marien plankton bevatten. De overige stukken bevatten soms geen fossielen, maar gewoonlijk de normale terrestrische fossielen die barnsteen kenmerken.


De diatomee Hemiaulus was de meest frequent
gevonden diatomee


De diatomee Paralia in de barnsteen vormt lange
en licht(?) gebogen kolonies


Een paar soorten van de mariene diatomeeën waren alleen van soms enkele tientallen miljoenen jaren later bekend. Dat betekent dat er nu meer bekend geworden is over het mariene plankton dat gedurende het middelste gedeelte van het Krijt de zeeën bevolkte ter plaatse van wat destijds een kustgebied moet zijn geweest. Bovendien wordt door de bevinding dat bepaalde soorten al veel eerder op aarde voorkwamen dan tot nu toe werd aangenomen, meer bekend over de evolutionaire geschiedenis van de diatomeeën, die - zoals ook blijkt uit de moleculaire fylogenie van recente diatomeeën - uitermate complex moet zijn.

Het meest intrigerende van de vondst is echter natuurlijk de vraag hoe marien plankton in de barnsteen terecht kan zijn gekomen. Er is nauwelijks een proces te bedenken waardoor hars in zee terecht komt en daar plankton kan invangen. Het moet immers gaan om verse, nog kleverige hars. Wellicht dat een enkele keer druppels hars afvielen van de takken van een dennenboom die langs de rand van een steil zeeklif groeide, en waarvan de takken over zee heenhingen, maar de kans dat zoiets gebeurt is uitermate klein; de kans dat zo'n druppel - inmiddels tot barnsteen verhard - hars wordt gevonden, lijkt zelfs ondenkbaar klein. Dat een degelijk proces zou hebben geleid tot de vondst van diverse stukken barnsteen met een ingesloten mariene microfauna, moet daarom praktisch uitgesloten worden geacht.


Stekels van sponzen waren de meest
aangetroffen mariene fossielen in de barnsteen


Een bos in Nieuw-Caledonië, dat volgens de
onderzoekers het recente milieu is dat het
meest overeen lijkt te komen met het bos
waaruit de barnsteen afkomstig is


De onderzoekers komen echter toch met een aannemelijke verklaring. Ze opperen zelfs twee mogelijkheden. De eerste is dat uit (relatief warm) zeewater opstijgende damp (zeemist) in de minieme waterdruppeltjes marien plankton meevoerde, en dat mistflarden door de wind een dennenbos werden ingedreven, waarbij sommige waterdruppeltjes (met mariene microorganismen) door hars werden ingevangen. Een tweede mogelijkheid - maar er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat dergelijke omstandigheden destijds het geval waren - is dat de zee bij zware storm en/of springtij een dennenbos langs de kust overstroomde. Hoe het ook zij, er moet een dennenbos vlak langs de kust hebben gelegen. Een voorbeeld van een plaats waar de genoemde processen ook nu zouden kunnen plaatsvinden, is de kust van Nieuw-Caledonië.

Referenties:
  • Girard, V., Schnidt, A.R., Saint Martin, S., Struwe, S., Perrichot, V., Saint Martin, J.-P., Grosheny, D., Breton, G. & Néraudeu, D., 2008. Evidence for marine microfossils from amber. Proceedings of the National Academy of the United States of America 105, p. 17426-17429.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Vincent Girard, Université de Rennes 1, Rennes (Frankrijk).

996 Fossiele lekkage van methaangas uit de zeebodem
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Olie, Gas & Mijnbouw ! Klik hier voor alle artikelen over Sedimentologie !

Uit de zeebodem stijgt op veel plaatsen methaangas op. Dat kan bijvoorbeeld afkomstig zijn uit het 'lek‘ van een aardgasreservoir, maar ook uit methaan dat ontstond bij de verrotting van afgestorven organismen in het bodemsediment. In sommige gevallen komen in zeer korte tijd enorm hoeveelheden methaangas vrij (dit wordt door sommigen onder meer beschouwd als de oorzaak van de massauitsterving op de grens Perm/Trias). Veel onderzeese moddervulkanen hangen ook met het vrijkomen van grote hoeveelheden gasvormige koolwaterstoffen uit de zeebodem samen, en ook de grote kratervormige structuren (pockmarks) die vaak in groepen op de zeebodem voorkomen (onder meer in de Middellandse Zee) worden als restanten van dergelijke met koolwaterstoffen verbonden moddervulkanen beschouwd. In de meeste gevallen gaat het bij het vrijkomen van methaangas uit de zeebodem echter om betrekkelijk kleinschalige processen. Ook die kunnen echter hun sporen nalaten.


Laagvlak met vier 'methaangaskegels’;
het exemplaar rechtsonder is ruim 2m in doorsnede

In de Blue Lias Formatie (Sinemurien, Vroeg-Jura) van Somerset (Zuid Engeland) hebben onderzoekers in een opeenvolging van afwisselend kalkstenen en mergels groepen concreties aangetroffen die rondom een 'methaanlek' op de zeebodem moeten zijn ontstaan. Ze zijn 1-2 m hoog en vertonen in dwarsdoorsnede een elliptische vorm met en lange a tot ca. 4 m lang.


Sommige kegels zijn manshoog


Kegel van ongeveer een meter hoog met
duidelijk ontwikkelde krater


Opvallend is dat de verhoudingen tussen zowel de diverse koolstofisotopen als de zuurstofisotopen niet overal gelijk is, en dat ook verschillen optreden met de verhoudingen in het 'normale' sediment. Op basis van de isotopenverhoudingen kan worden opgemaakt dat er van tijd tot tijd en van plaats tot plaats verschillen zijn opgetreden in de hoeveelheden in de beschikbare hoeveelheid zuurstof in het water, en dat de hoeveelheid levende organismen (de top en de bovenste delen van de flanken van de kegelvormig concreties bevatten onder meer ammonieten, tweekleppige schelpen, foraminiferen en enkele restanten van crinoïden). Uit een en ander kunnen de onderzoekers opmaken dat er ter plaatse water met veel daarin opgenomen methaangas uit de bodem moet zijn vrijgekomen.


Kegel van ongeveer 1,5 m hoog met breccie
met fossielfragmenten op de top en bovenste
deel van een flank


Kegel van ~3 m in doorsnede, met duidelijk
karakter van een moddervulkaan


Interessant is in dit verband dat de hoeveelheid methaangas veelal zo groot moet zijn geweest dat er op de zeebodem een waterlaag ontstond met zoveel methaangas dat de normale bodembewoners dat niet konden overleven vanwege gebrek aan zuurstof (methaan zorgt voor en reducerend milieu). Gedurende fases waarin het gas in zulke hoeveelheden vrijkwam, stierf de bodemfauna kennelijk in een bepaald gebied rondom de plaatsen met vrijkomend methaangas uit (dit verklaart mogelijk ook de rijkdom aan ammonieten, belemnieten en andere bodembewoner in veel afzettingen uit het Vroeg-Jura in zuidelijk en oostelijk Engeland); na verloop van tijd, wanneer er weer voldoende zuurstof aanwezig was, migreerden bodembewoners vanuit andere plaatsen weer naar deze locaties, waarna het spel zich kon herhalen. Er blijken echter ook individuen te zijn geweest die de perioden van methaanuitstoot overleefden: daarvan zijn fossielen teruggevonden aan de bovenkant van de kegels die dus beschouwd zouden kunnen worden als het kalksteenequivalent van de huidige moddervulkanen die voorkomen op zeebodems waaruit methaangas ontsnapt. Kennelijk was de waterlaag waarin geen leven meer mogelijk was bij een 'methaanuitbarsting' zo ondiep, dat de top van de kegels al een niveau bereikte waarin nog voldoende zuurstof aanwezig was om te overleven.

Referenties:
  • Allison, P.A., Hesselbo, S.P. & Brett, C.E., 2008. Methane seeps on an Early Jurassic dysoxic seafloor. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology 270, p. 230-238.

Foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Peter Allison, Department of Earth Science and Engineering, Imperial College London, Royal School of Mines, Londen (Groot-Brittannië).

997 Een bijzonder dinonest
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Langs de oever van een rivier waar 77 miljoen jaar geleden (Laat-Krijt) een rivier gestroomd moet hebben, werd door en dinosauriër een nest gebouwd om eieren te leggen. Het was een bijzonder nest, want het was geen kuil in de grond, maar juist een heuveltje (van ongeveer een halve meter hoog). Tegen de schuine hellingen van dat nest werden de eieren gerangschikt, waarvan er zes deels of via afdrukken zijn te reconstrueren. Het patroon van de eieren is zo regelmatig dat mag worden aangenomen dat het hele heuveltje door een krans van soortgelijke eieren was omgeven. Dat de eieren nooit werden uitgebroed, is waarschijnlijk te wijten aan een overstroming van de rivier, waardoor de dino het nest moest opgeven.


Veldschets van het nest met eieren en op basis
van afdrukken geïnterpeteerde ligging van meer eieren
(tekening Donna Sloan)

Welk soort dino het nest heeft gebouwd, is niet precies bekend, maar het is naar alle waarschijnlijkheid een vleesetende soort geweest die nauw verwant was aan Oviraptor (een caenagnatide dino) of aan Velociraptor (een dromaeosauride dino), zoals uit het type nest en het type ei blijkt. Het ei is overigens van een soort die niet eerder bekend was, en daarom is een nieuw eiergeslacht en een nieuwe eiersoort voor de vondst geïntroduceerd: Montanaoolithus strongorum.


Gereconstrueerd nest
(tekening Donna Sloan)


The Two Medicine Formation waarin
het nest werd gevonden
(foto Darla Zelenitsky)


De vondst is van belang omdat het nieuw inzicht geeft in de wijze waarop (sommige) dino’s hun nest bouwden, en hoe hun broedgedrag moet zijn geweest. Het blijkt bijvoorbeeld dat het nu aangetroffen nest in veel opzichten overeenkomt met nesten zoals sommige vogels die bouwen. Een dergelijk type dinonest in een dergelijk goed bewaard gebleven staat was tot nu toe onbekend. In Amerika bijvoorbeeld was tot nu toe slechts één vergelijkbaar nest van een verwant type (Troodon formosus) bekend.


De mogelijk voor het nest verantwoordelijke dino’s:
een caenagnathide (links) en een dromaeosauride (rechts)
(tekening Julius Csotonyi)

Analyse van het nest geeft aan dat er oorspronkelijk minstens 12 eieren in (of beter: tegen) het nest moeten hebben gelegen. De eieren die elk ongeveer 12 cm lang zijn, hebben - net als vogeleieren - aan één kant een wat smaller uiteinde dan aan de andere kant. Ook kan worden opgemaakt dat de moederdino op het nest moet hebben zitten broeden. Er zijn bovendien aanwijzingen dat de dino de eieren steeds in paren van twee legde. Dat is weliswaar anders dan bij vogels (die gewoonlijk één ei per keer leggen - en dat een paar keer doen totdat het nest vol is), maar nog veel afwijkender van reptielen zoals krokodillen, die al hun eieren tegelijk leggen. Dat geeft aan dat de evolutionaire ontwikkeling van reptiel naar vogel bij de desbetreffende dino’s al behoorlijk ver was voortgeschreden.

Referenties:
  • Zelenitsky, D.K. & Therrien, F., 2008. Unique maniraptoran egg clutch from the Upper Cretaceous Two Medicine Formation reveals theropod nesting behaviour. Palaeontology 51, p. 1253-1259.

Illustraties welwillend ter beschikking gesteld door Darla Zelenitsky, Department of Geoscience, University of Calgary, Calgary (Canada).

998 Bijzonder wolkendek boven Sichuan-Bekken
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Het enorme Sichuan-Bekken in zuidwest-China werd begin december geruime tijd bedekt door een bijzonder wolkendek. Dat hing samen met enerzijds de geografische karakteristieken, anderzijds bijzondere weersomstandigheden. Het leverde een spectaculaire satellietfoto op.

Het Sichuan-Bekken is een laaglandgebied (met enkele heuvelachtige streken), dat vooral bekend is vanwege zijn grootschalige rijstbouw en de productie van het merendeel van het Chinese aardgas. Het gebied wordt aan alle kanten door bergen omgeven, en bestaat zelf vooral uit riviervlaktes. Diverse grote rivieren stromen door dit bekken om uit te monden in de Yangtze, die nog net door het zuidelijk deel van het bekken stroomt. Langs de westzijde van het bekken loopt de naar het Longman Shan gebergte genoemde breuk die op 12 mei van dit jaar actief was en een catastrofale aardbeving veroorzaakte (zie Geonieuws 928). Deze breuklijn scheidt het Sichuan-Bekken van de Tibetaanse hoogvlakte in het westen.


Het wolkenpakket boven het Sichuan-Bekken op 6 december 2008

Het bekken heeft slechts zeer weinig neerslag en de natuurlijke begroeiing is dan ook schaars (de rijstbouw kan vooral plaatsvinden door irrigatie vanuit de talrijke rivieren en stroompjes). In het algemeen is er weinig bewolking, maar dat was begin december anders. Een uitgestrekt gebied werd bedekt door een laaghangend wolkenpakket dat - vooral aan zijn uiteinden - een fijne tekening vertoonde. Dat kwam doordat de wolken als het ware de rivierdalen binnendrongen en daar, via het patroon van zijdalen, een fijn stelsel van vertakkingen vertoonde. De satellietopnames (gemaakt met de 'Moderate Resolution Imaging Spectroradiometer’ (MODIS) van de Aqua-satelliet van de NASA, vertoont bovendien wolkenvrije toppen van de omringen bergen, wat ook ongewoon is. Daardoor zijn de sneeuwpakketten op de hoogste toppen goed zichtbaar. Daarnaast zijn er aan de bovenkant van het grote wolkendek een soort ribbels te zien. Die zijn mogelijk te danken aan op- en neergaande luchtbewegingen als gevolg van de ongelijke ondergrond, maar mogelijk zijn de ribbels (mede?) veroorzaakt doordat een wind over het wolkendek blaast en zo 'wolkendeeltje' verplaatst op dezelfde wijze waarop stromend water zandkorrels verplaatst. In dat geval zou het dus om echte ribbelvorming gaan. Tenslotte toont de satellietopname ook nog een 'grauwsluier’ ten noorden van de witte wolkenmassa. Die is waarschijnlijk het gevolg van luchtvervuiling ten gevolge van het op grote schaal verstoken van steenkool voor de verwarming van huizen.

Zowel de witte bewolking als de grijze sluier zijn hoogstwaarschijnlijk gevangen in het Sichuan-Bekken als gevolg van een temperatuurinversie in de lagere luchtlagen. Normaliter neemt de temperatuur vanaf het aardoppervlak naar boven toe af. De warme lucht nabij de bodem stijgt door zijn geringe soortelijk gewicht (massa) op, koelt hogerop af, krijgt een grotere massa en zakt weer terug, zodoende zorgend voor een voortdurende verticale menging van de atmosfeer. In dit geval moet echter sprake zijn geweest van een hoeveelheid lucht die warmer was dan de lucht bij de bodem. De relatief zware (koudere) lucht bij de bodem kon daarom niet opstijgen, en werd dus als het ware onder de warmere luchtlaag gevangen gehouden. Dat betekent dat ook luchtvervuiling niet kan opstijgen. In Nederland is een dergelijk verschijnsel, vooral in industriegebieden, soms ook waar te nemen: eer lijkt dat een bruinige (vervuilde) luchtlaag als het ware tegen een horizontale grens (het contactvlak met de warmere lucht daarboven) te blijven hangen. In het Sichuan-Bekken duurde die situatie enkele dagen.

Referenties:
  • NASA Earth Observatory, 2008. Low clouds over China. http://earthobservatory.nasa.gov/NaturalHazards/view.php?id=36147 (2008-12-09).

Foto: Jeff Schmalz, MODIS Rapid Response Team, NASA Goddard Space Center, Greenbelt, MD (Verenigde Staten van Amerika).

999 Ook mineralenrijk vertoont evolutie
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Klik hier voor alle artikelen over Mineralen !

Dat het leven op aarde geleidelijk is geëvolueerd, wordt alleen nog maar bestreden door een handjevol mensen (de Creationisten) die weigeren om naar onweerlegbare feiten te kijken als die niet met hun (gewoonlijk godsdienstige) overtuiging stroken. Er zullen daarentegen maar weinig mensen zijn met de overtuiging dat ook het rijk van de mineralen in de loop der tijd is geëvolueerd. Toch blijkt dat het geval te zijn, zoals blijkt uit een analyse van het voorkomen van de verschillende mineralen in de loop der tijd.

Een team van acht Amerikaanse en Canadese onderzoekers zijn nagegaan, onder meer op basis van de fysische, chemische en biologische processen die in onze wereld een rol spelen, waarbij de processen onderling van plaats blijken te kunnen wisselen waar het gaat om hun invloed op het ontstaan van nieuwe mineralen. Dat er in de loop der tijd steeds meer nieuwe mineralen zijn ontstaan, staat buiten kijf: in het interstellaire stof dat al voor het ontstaan van de aarde bestond, moeten ongeveer tien verschillende mineralen aanwezig zijn geweest. Nu zijn er op aarde ongeveer 4300 bekend. Het is in dit verband interessant dat op theoretische gronden mag worden aangenomen dat de overige planeten in ons zonnestelsel veel minder verschillende mineralen bevatten; deze veronderstelling wordt ook ondersteund door de - overigens vergelijkenderwijs zeer weinige - daadwerkelijke gegevens die we over onze zusterplaneten hebben.

Hazen en zijn medeauteurs onderscheiden tien belangrijke fasen in de evolutie van het mineralenrijk. Voor ons zonnestelsel werd gevormd, waren alle chemische elementen al in de interstellaire ruimte aanwezig, maar hun concentratie was zo gering en de temperatuur was zo laag dat er geen mineralen konden ontstaan. Daarmee werd een - voorzichtig - begin gemaakt toen ons zonnestelsel zich begon te vormen; er moeten destijds omstreeks tien 'oermineralen' zijn ontstaan (waarvan diopsied, een magnesium/aluminium-spinel die vaak vergroeid met diopsied moet zijn voorgekomen, anorthiet, perovkiet, en fassaiet nu bekende vertegenwoordiger vormen). Toen de gassen en de deeltjes uit de interplanetaire ruimte zich begonnen te verdichten, konden kleine vaste brokstukken ontstaan (fase 1), waarvan asteroïden en sommige meteorieten (chondrieten) nog de sporen vormen. Dat leverde nieuwe fysische omstandigheden op waardoor het aantal mineralen zich met omstreeks 60 nieuwe soorten kon uitbreiden. Door opsmelting kregen sommige asteroïden relatief snel een kern en een stenige mantel, waardoor achondrieten konden ontstaan (fase 2).


Fase 1: Chondrieten zijn ouder dan 4,56 miljard
jaar en bevatten de ca. 60 verschillende
mineralen die destijds bestonden.


Fase 2: De asteroïde Ida; smelten van asteroïden
leverde differentatie in metallische kernen en
stenige mantels op, waardoor achondrieten (ouder
dan 4,55 miljard jaar) konden ontstaan (foto NASA).


Pas toen grote hemellichamen zoals de zon en de planeten door samenballing waren gevormd, kwamen er in ons zonnestelsel plaatsen voor met dermate hoge temperatuur en druk dat er veel meer verschillende mineralen konden ontstaan door uitkristallisatie van lavastromen en van de magmazeeën zoals die op aarde gedurende het Hadeïcum aanwezig waren (fase 3). Zeker op de planeten waarop in het begin vulkanisme voorkwam en ook vloeibaar water aanwezig was, konden enkele honderden verschillende mineralen ontstaan. Door erosie ontstonden de eerste sedimenten, en door opsmelting van basalt en sedimenten ontstond magma waaruit granitoïden konden uitkristalliseren (fase 4)De onderzoekers menen daarom dat op Mars en Venus - planeten die dit stadium van ontwikkeling in een ver verleden hebben bereikt - zeker zo‘n 500 mineralen in de gesteenten op en nabij het oppervlak moeten voorkomen.


Fase 3: Uit de magmazeeën en bij vulkanische
uitbarstingen op aarde ontstonden tijdens
het Hadeïcum (4,55-4,0 miljard jaar geleden)
veel nieuwe mineralen.


Fase 4: Door opsmelting van basalt en de
vroegste sedimenten ontstonden 4-3,5 miljard
jaar geleden granitoïden met hun eigen
mineralogische samenstelling
(foto Christian Marcel).


In ons zonnestelsel bereikte alleen de aarde een volgende fase. Dat was vooral te danken aan de schollentektoniek, waarbij zowel bij botsende lithosfeerschollen als bij diep door subductie wegduikende schollen (fase 5) milieus ontstonden met voorheen op aarde onbekende fysische en chemische eigenschappen. Daardoor kon een grote variëteit aan mineralen ontstaan: het moeten er toen al meer dan duizend zijn geweest.


Fase 5: Al bij de vroegste schollentektoniek (aanzienlijk meer
dan 3 miljard jaar geleden) werden gesteenten uit de aardkorst
in grote hoeveelheden omgezet (figuur Robert Hazen).

Van nog veel groter belang was echter het ontstaan van het leven, ongeveer 4 miljard jaar geleden. Aanvankelijk was er sprake van relatief geringe bioactiviteit vanwege het vrijwel volledige gebrek aan zuurstof in de atmosfeer (en dus ook de zee), waardoor typische gesteenten zoals de gebande ijzerformaties konden ontstaan (fase 6) Het leven zorgde, door fotosynthese van microscopisch kleine algen, voor een zuurstofrijke atmosfeer (fase 7).



Fase 6: Gebande ijzerformaties konden ontstaan
doordat de atmosfeer en oceanen vrijwel geen
zuurstof bevatten (3,9-2,5 miljard jaar geleden)
(foto Robert Buchwaldt).


fase-7: Cyanobacteriën droegen 2,5-1,9 miljard
jaar geleden in sterke mate bij aan het ontstaan
van een zuurstofrijke atmosfeer.


Het leven in de oceaan was echter minstens zo belangrijk voor de evolutie van het mineralenrijk doordat het de chemische samenstelling van de oceaan veranderde (fase 8), waarschijnlijk vooral als gevolg van de grootschalige reductie van sulfiden door microorganismen. Zo zorgde de grote variëteit aan planten en microorganismen voor het ontstaan van kleimineralen, en zorgden vooral in zee levende dieren zoals schelpdieren en koralen voor het ontstaan van dikke pakketten carbonaten die op een levenloze aarde uiterst zeldzaam zouden zijn geweest. De ontwikkeling van het leven in zee ging echter niet zonder slag of stoot: aan het einde van het Precambrium (1 miljard tot 570 miljoen jaar geleden) traden grote schommelingen op in het klimaat, waarbij de aarde volgens sommige onderzoekers zelf minimaal twee- maar wellicht zelfs viermaal geheel of grotendeels met ijs was bedekt (Sneeuwbal Aarde: fase 9).


Fase 8: De samenstelling van de oceaan
veranderde 1,9-1,0 miljard jaar sterk,
waarschijnlijk door biologische activiteit.


Fase 9: Sneeuwbal Aarde (750-570
miljoen jaar geleden) trad gelijk-
tijdig op met sterke veranderingen
in de aardatmosfeer, waardoor de
basis werd gelegd voor een toe-
nemende verweringssnelheid.


De veranderingen in de atmosfeer droegen mogelijk bij aan de ontwikkeling van de merkwaardige Ediacara-fauna, maar was mineralogisch vooral van belang doordat vanaf het begin van het Fanerozoïcum gesteenten relatief snel konden verweren, waarbij voordien onbekende oxiden werden gevormd. Vooral toen het land werd veroverd en zich uitgestrekte bossen gingen ontwikkelen (fase 10) werd verwering een belangrijke factor in de vorming van mineralen


Fase 10: Sinds het begin van het Fanerozoïcum (542 miljoen jaar geleden),
maar vooral sinds bossen de continenten bedekken is de verwering van de
aardkorst snel toegenomen en zijn veel nieuwe oxiden ontstaan.

Uit deze analyse blijkt dat niet alleen het aantal mineralen bij iedere nieuwe ontwikkelingsfase van de aarde verder toenam, maar dat onder nieuwe omstandigheden ook zeer grote hoeveelheden van sommige nieuwe mineralen konden worden gevormd (zoals de diverse kleimineralen, maar ook mineralen zoals calciet, aragoniet en dolomiet). Daardoor veranderde het relatieve belang van bepaalde mineraalgroepen voortdurend. Al deze karakteristieken zijn typerend voor evolutionaire ontwikkelingen. We danken er nu prachtige verzamelobjecten aan.


De aarde kent nu een ontzagwekkende hoeveelheid verschillende mineralen, waarvan
diverse soorten fraai oplichten bij fluorescerend licht (foto Hannes Grobe).

Referenties:
  • Hazen, R.M., Papineau, D., Bleeker, W., Downs, R.T., Ferry, J.M., McCoy, T.J., Sverjensky, D.A. & Yang H., 2008. Mineral evolution. American Mineralogist 93, p. 1693-1720.

1000 Terug- en vooruitblik vanaf een mijlpaal
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon

Nummer 1000 van Geonieuws. Volgens goed gebruik vereist dat een terugblik. Daar wil ik me graag aan houden, in meer dan één opzicht zelfs. Maar ik wil ook vooruitblikken, en ook dat in meer dan één opzicht. De lezer is dus gewaarschuwd: dit is geen stukje dat, zoals de laatste jaren gebruikelijk was, gaat over een onderwerp dat in de recente literatuur aan de orde is gesteld.



Aardwetenschappelijk interessante gebitsrestanten: een mammoetkies (Geonieuws 616) die getroffen werd door deeltjes die bij een supernova werden uitgezonden (een astronomisch proces) en een kies (Geonieuws 691) die werd geboord met vuursteen (archeologie) en vervolgens opgevuld

Voor geologen is het van oudsher de normaalste zaak ter wereld om terug te blikken in de tijd. Verder dan de meeste mensen, die alleen op hun eigen leven kunnen terugkijken. Verder ook dan historici die terugblikken tot de tijd waarvan de oudste schriftelijke overleveringen dateren. Verder zelfs dan archeologen, die terugblikken tot waar de eerste mensen - vaak zelfs de eerste mensachtigen - hun sporen achterlieten. Geologen blikken verder terug: tot het moment waarop de aarde, omstreeks 4,6 miljard jaar geleden, ontstond. Maar astronomen blikken nog verder terug: tot het moment waarop - als gevolg van (of gepaard gaande met) de oerknal - ons heelal ontstond.



De door Homerus beschreven reis (geschiedenis) van Odysseus (die hier bij thuiskomst de vrijers van Penelope afslacht: Geonieuws 957) kan worden gereconstrueerd aan de hand van de toenmalige sterrenhemel. De moddervulkaan Lusi (Geonieuws 793) die in mei 2006 op Java ontstond is een geologisch fenomeen dat veel nu levende mensen zelf meemaakten

De indeling in tijdschalen die de meeste mensen, historici, archeologen, geologen en astronomen scheidt, wordt echter met het voortschrijden van de wetenschap steeds vager. Dat blijkt alleen niet uit de wetenschappelijke literatuur, maar ook - en juist op basis van die literatuur - uit Geonieuws. Het is niet voor niets dat deze rubriek aan alle hiervoor genoemde onderwerpen aandacht heeft besteed, ook al bleef de kern natuurlijk berichtgeving over de ontwikkeling van de aarde, vanaf zijn ontstaan tot de dag van vandaag.


De aarde zelf (Geonieuws 890) bleef het belangrijkste onderwerp

De berichtgeving in Geonieuws dekte echter ook, zij het zeker niet als hoofdonderwerp, nog een ander tijdsbestek: de toekomst. Waar de - vaak langzame - processen die de aarde veranderen voor veel mensen als een chaotisch en onvoorspelbaar geheel overkomen, daar weten geologen, op basis van hun kennis van het verleden van de aarde, dat er wetmatigheden bestaan. Continenten verschuiven, botsen tegen elkaar, stuwen gebergtes op die later door erosie weer veranderen in vlaktes, enz. Die processen waren in de eerste 2-3 miljard jaar van de aarde weliswaar (deels) anders dan nu, maar sindsdien - en vooral sinds gedurende het begin van het Fanerozoïcum complexe levensvormen ontstonden, en zeker sinds het land door plant en dier werd veroverd - zijn er geen fundamentele veranderingen opgetreden in de processen die de ontwikkeling van de aarde bepalen. Dat betekent dat de processen die we uit de laatste honderden miljoenen jaren kennen, ook nu actief zijn. Patronen die we nu herkennen kunnen we - door vergelijking met patronen uit het verleden - daarom gebruiken om toekomstige ontwikkelingen te voorspellen: zonder menselijk ingrijpen (en zonder onvoorziene omstandigheden) is bijvoorbeeld de Waddenzee gedoemd om binnen enkele honderden jaren te verdwijnen doordat de naar de kust kruipende Waddeneilanden aan de zich uitbouwende kwelders zullen vastgroeien.



De Waddenzee (Geonieuws 453) zal vanzelf verdwijnen doordat de eilanden naar de kust kruipen en daar vastgroeien aan de kwelders (Geonieuws 59)

Dit op geologische veranderingen in het verleden gebaseerde inzicht in wat ons in de toekomst te wachten staat, maakt geologen veel waardevoller voor de maatschappij dan men zich realiseert. In het door gebrek aan harde gesteenten gekenmerkte Nederland, waar veel mensen het verschil tussen geologie, archeologie en theologie nog steeds niet kennen, vormen geologen zelfs een volstrekt verwaarloosde groep (behalve als het gaat om snelle winsten zoals bij de winning van olie en aardgas). Het is in dit kader kenmerkend dat er geen geologen of paleoklimatologen betrokken zijn geweest bij de overheidsstudies naar het toekomstige klimaat, een eventuele zeespiegelrijzing, en verwante zaken. Geen wonder dat de door de overheid ingestelde Commissie Veerman tot de opzienbarende conclusie kwam dat de zeespiegel voor de Nederlandse kust veel sterker zal stijgen dan andere onderzoekers voorspellen voor de kust van België, Duitsland en Engeland!


Deze atol in de Grote Oceaan (Geonieuws 396) wordt bedreigd bij doorgaande opwarming door zeespiegelstijging

In Nederland, waar geologisch veldwerk meer en meer in het verdomhoekje komt, en waar men zich dus noodgedwongen steeds meer richt op laboratoriumonderzoek en op modelstudies, heeft de overheid, naar het lijkt, al zijn kaarten gezet op modelstudies. Het KNMI gaat daarin, wat betreft de toekomstige klimaatontwikkeling, volledig mee. Ik vind het persoonlijk onvoorstelbaar dat ik van medewerkers van het KNMI diverse malen bericht kreeg dat het een schande was dat ik in Geonieuws berichtte dat de paniek over de opwarming van de aarde overdreven was, omdat tal van onderzoeken aangeven dat daarvoor geen enkele reden is. De resultaten van die onderzoeken werden niet door het KNMI weerlegd, maar de brenger van de boodschap werd door hen aan de schandpaal genageld omdat de informatie niet overkwam met de mening die het IPCC (en ‘dus’ ook het KNMI) had. Daarbij ging het KNMI er overigens aan voorbij dat ik ook in Geonieuws aandacht besteedde aan onderzoeken die juist wel wezen op opwarming en/of zeespiegelstijging.



Bericht over extreme kou (Geonieuws 901) in Griekenland (links) en Estland (rechts) wekten de woede van het KNMI

Dit brengt mij bij het punt dat ik voel dat ik de lezers van Geonieuws verantwoording verschuldigd ben over de wijze waarop ik aan het materiaal voor mijn bijdragen kwam. Na een aarzelend begin (per 1 januari 1999), waarbij nieuws en nieuwtjes van diverse kanten werden gebruikt, ontstond al spoedig een meer gestructureerde aanpak, waarbij vanaf januari 2002 iedere maand 10 bijdragen aan Geonieuws werden geleverd. Zo werd Geonieuws een tijdschrift waar de belangstellenden regelmatig naar uitkeken. Daarbij ben ik uitgegaan van het principe dat elke bijdrage om een onderwerp moest gaan dat voor op z’n minst een groot aantal amateurgeologen of geheel niet-deskundigen interessant moest zijn. Hoe kom je aan zulk materiaal? Door eindeloze hoeveelheden literatuur door te nemen. Daartoe controleerde ik - voor zover mogelijk - dagelijks de titels van artikelen in tientallen geologische en algemene (bijv. Science en Nature) tijdschriften; op basis van die titels selecteerde ik dan een aantal die ik interessant achtte, en daarvan las ik het abstract. Op basis van die abstracts selecteerde ik vervolgens de stukken die me voor Geonieuws interessant leken. En op basis daarvan besloot ik welke artikelen werkelijk voor een stukje in aanmerking kwamen. Dat waren er altijd meer dan tien per maand, dus ook dan moest nog worden geselecteerd. Dat deed ik vaak op basis van contact (gewoonlijk per email, soms op congressen) met de oorspronkelijke onderzoekers. Aan hen vroeg ik vaak ook om illustratiemateriaal dat minder ‘technisch’ was dan de illustraties in de oorspronkelijke artikelen. Meestal stelden de onderzoekers graag zulk materiaal ter beschikking. Een enkele maal kwam het illustratiemateriaal uit andere bronnen (bijv. eigen dia’s), maar ik maakte vrijwel geen gebruik van foto’s van Internet of uit Wikipedia. Het bleek namelijk al gauw dat daarmee copyrights geschonden kunnen worden, en dat - minstens zo erg - de bij dergelijk illustratiemateriaal behorende informatie vaak onjuist is (doordat ook niet-deskundigen artikelen in Wikipedia kunnen schrijven en/of bestaande artikelen veranderen).


Deze zeelelies uit de diepe Noordzee (Geonieuws 380) vormen één voorbeeld van de vele prachtige foto’s die onderzoekers aanleverden

Een vraag die ik vaak kreeg, was waar ik de tijdschriften vandaan haalde om geschikte artikelen te vinden. Een legitieme vraag, want daarmee hangt de betrouwbaarheid van de diverse stukjes natuurlijk ten nauwste samen. Het antwoord is simpel: ik heb privé-abonnementen op ca. 10 belangrijke tijdschriften. Diverse uitgevers (onder meer Elsevier, de American Geophysical Union en de Geological Society of America) gunden mij ook nog eens elektronische inzage in al hun aardwetenschappelijke tijdschriften. Daarnaast is er een snel toenemend aantal tijdschriften die vrij via Internet toegankelijk zijn (open access). Zo had ik al met al honderden tijdschriften ter beschikking. Veel materiaal kreeg ik ook in handen door het bezoek van congressen maar ook van andere congressen kreeg ik vaak materiaal toegestuurd. En tenslotte waren er de talloze nieuwsbrieven van universiteiten over de hele wereld, die me - net als andere media zoals populair wetenschappelijke tijdschriften (bijv. Duin, Shell Venster en Astrobiology News) - aanwijzingen verschaften van wie ik informatie over nieuwe ontwikkelingen kon krijgen. Uit al die bronnen heb ik rijk geput. Het ging daarbij echter toch vooral om wetenschappelijke tijdschriften. Veel daarvan nam ik jarenlang door zonder dat er ooit materiaal in stond dat geschikt was voor een stukje in Geonieuws. Dat was echter wel het geval met een groot aantal tijdschriften. De volgende lijst (met excuses voor het geval dat ik iets over het hoofd heb gezien) geeft aan in welke tijdschriften de oorspronkelijke artikelen stonden waaruit ik mijn bijdragen destilleerde (en waarna ik in mijn bijdragen ook verwees).


Het gerenommeerde tijdschrift Science (Geonieuws 600) vormde de rijkste bron voor materiaal ten behoeve van Geonieuws

American Journal of Science
American Mineralogist
Applied Environmental Microbiology
Applied Geochemistry
Astrobiology
Atmospheric Environment
Atmospheric Research
Biology Letters of the Royal Society
Catena
Chemical Geology
Cold Regions Science and Technology
Current Science
Earth and Planetary Science Letters
Earth-Science Reviews
Environmental Research Letters
Eos
Episodes
Geochemistry Geophysics Geosystems
Geochimica et Cosmochimica Acta
Geoderma
Geologica et Paleontologica
Geological Society of America Bulletin
Geologische Rundschau
Geology
Geomorphology
Geophysical Research Letters
Geotimes
Global and Planetary Change
GSA Today
International Journal of Coal Geology
Journal of African Earth Sciences
Journal of the American Ceramic Society
Journal of Archaeology
Journal of Asian Earth Sciences
Journal of Chemical Ecology
Journal of Climate
Journal of Ecology
Journal of Geophysical Research
Journal of the Geological Society of India
Journal of the Geological Society of London
Journal of Human Evolution
Journal of Mammalian Evolution
Journal of Paleolimnology
Journal of Paleontology
Journal of Petrology
Journal of Sea Research
Journal of Sedimentary Research
Journal of Structural Geology
Journal of Vertebrate Paleontology
Journal of Volcanology and Geothermal Research
Lethaia
Lithos
Marine Geology
Marine Micropaleontology
Marine and Petroleum Geology
Monthly Notices of the Royal Astronomical Society
Mycological Research
Nature
Nature Biotechnology
Nature Geoscience
Naturwissenschaften
Netherlands Journal of Geosciences
Norwegian Journal of Geology
Oceanography
Palaeogeoraphy, Palaeoclimatology, Palaeoecology
Palaeontology
Paläontologische Zeitschrift
Paleobiology
Paleocenanography
PLoS Biology
PLoS One
Precambrian Research
Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America (PNAS)
Proceedings of the Royal Society B
Quaternary International
Quaternary Research
Quaternary Science Reviews
Quaternary Stockholm
Radiocarbon
Review of Palaeobotany and Palynology
Science
Science & Technology Review
Sedimentary Geology
South African Journal of Science
Tectonics
Tectonophysics
Terra Nova
The American Naturalist
The Astrophysical Journal
The Journal of Arachnology
Zoosystema


Het tijdschrift Nature eindigde ruimschoots op de tweede plaats als informatiebron

Deze 91 tijdschriften dekken een zo uitgebreid veld van aardwetenschappen en verwante disciplines, dat daaruit kan worden verklaard waardoor zoveel verschillende onderwerpen in Geonieuws belicht konden worden. Het verklaart ook waarom zoveel verschillende - soms tegenstrijdige - interpretaties van verschijnselen konden worden gegeven. Waar het voor onderzoekers bijvoorbeeld vrijwel onmogelijk is om een artikel in Nature of Science geplaatst te krijgen dat ingaat tegen de opvattingen van het IPCC met betrekking tot het toekomstige klimaat, daar staan de redacties van andere tijdschriften veel minder bevooroordeeld tegenover de toegestuurde manuscripten. Hoewel ik persoonlijk sterk gekant ben tegen de genoemde handelwijze van Nature en Science (die toch wel erg dicht bij censuur komt) heb ik die tijdschriften zeker niet geboycot: integendeel, zij leverden meer materiaal voor bijdragen in Geonieuws dan enig ander tijdschrift. Op zich niet verwonderlijk, want juist deze twee tijdschriften zijn sterk gericht op het publiceren van artikelen die voor een wijd lezerspubliek (dat overigens wel hooggeschoold moet zijn) interessant zijn. Maar dat doet uiteraard niets af aan het feit dat ik veel andere tijdschriften ook iedere keer opnieuw weer met grote interesse heb doorgenomen.

Daaraan gaat nu iets veranderen: ik ga tijdschriften met ingang van 2009 op een andere wijze lezen. Niet meer ‘op jacht’ naar materiaal voor Geonieuws, maar als ‘normale’ wetenschapper. Met het schrijven van deze duizendste bijdrage aan Geonieuws, in een tijdsbestek van precies tien jaar, meen ik namelijk dat het tijd is geworden om het stokje over te dragen. De taak was namelijk wel zwaar: ik besteedde gemiddeld zo’n vier uur aan een bijdrage, d.w.z. 480 uur per jaar, ofwel 3 volle werkmaanden (en dat in mijn vrije tijd). Nu mogen anderen het overnemen, en er staat inmiddels een team klaar om dat te doen.


De auteur van 1000 bijdragen krijgt nu weer meer tijd voor eigen veldwerk

Intussen kijk ik wel met groot genoegen terug op de 10 jaren van Geonieuws en op de 1000 stukjes. Ik heb er zelf veel van geleerd, en ik weet dat ik er veel anderen een genoegen mee heb gedaan, niet alleen amateurgeologen, maar ook professionals die zo ook buiten hun eigen specialisme wat gemakkelijk te verteren informatie kregen. Maar dat was natuurlijk bijzaak: mijn primaire doel was om mensen te bereiken met interesse voor de geologie, en om mensen te bereiken die niets wisten van geologie, om ze zo te laten zien hoe interessant de aarde om ons heen is. Daarin ben ik niet teleurgesteld: niet alleen kreeg ik veel reacties van lezers (en dank aan allen die mij op fouten en foutjes wezen: zulke kritische lezers heb ik altijd zeer gewaardeerd), maar ook kreeg ik veel vragen om aanvullende informatie, bijv. van scholieren die met een werkstuk bezig waren. Zo weet ik dat de inspanningen hun doel hebben bereikt. Wat natuurlijk ook leuk is (voor mij) om te weten, is dat Geonieuws druk werd geraadpleegd. Veel meer dan een miljoen maal (waarschijnlijk enkele miljoenen malen). Dat geeft aan dat er behoefte aan bestaat. Ik wil al mijn lezers hierbij danken voor de interesse die ze hebben getoond, en ik wens hun toe dat ze ook in de komende jaren van Geonieuws kunnen blijven profiteren. Mijn opvolgers wens ik toe dat ze ook zoveel interesse weten op te wekken als ik heb gedaan, en dat ze Geonieuws nog verder weten uit te bouwen.


Redacteur George Brouwers besteedde zeer veel tijd en energie aan Geonieuws

Tenslotte dank ik de NGV die het initiatief van Geonieuws steeds van harte heeft ondersteund, en vooral George Brouwers die als redacteur en webmaster eindeloze hoeveelheden tijd heeft besteed om het door mij aangeleverde materiaal tijdig en in een fraaie opmaak op de website te presenteren.

Referenties:
  • Geen Referenties


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl