NGV-Geonieuws 156

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Januari 2009, jaargang 11 nr. 1

Redactie: dr. W.M.L.(Willem) Schuurman

1001 Vogelademhaling in dinosauriŽrs?
Auteur: drs. Marvin Overbeeke.

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Het ademhalingsysteem van vogels is uniek. Geen enkel ander dier heeft een zo efficiŽnt systeem ontwikkeld om adem te halen als de vogels. Aangezien de bewijzen zich opstapelen dat vogels van dinosauriŽrs afstammen, zou het mogelijk kunnen zijn dat dit systeem in het MesozoÔcum geperfectioneerd is. Tot dusverre waren er nog niet of nauwelijks bewijzen voor luchtzakken in Dinosauria. Niet geheel onlogisch, omdat luchtzakken niet fossiliseren, maar er zijn uitstulpingen van luchtzakken die tot in botten doordringen en deze 'gatení kunnen wel fossiliseren. In een allosauroide uit het Krijt van Zuid-Amerika zijn hiervoor aanwijzingen gevonden.


Luchtzakken in vogels
Afkortingen: aas, abdominal air sac; atas, anterior thoracic air sac;
cas, cervical air sac; clas, clavicular air sac; lu, lung;
pns, paranasal sinus; ptas, posterior thoracic air sac;
pts, paratympanic sinus; t. trachea.

Het ademhalingssysteem van een vogel (zie boven) bestaat uit longen die niet bewegen en die relatief, ten opzichte van zoogdieren, klein zijn. Samen met luchtzakken wordt de ingeademde lucht door de longen gezogen in een oneindige stroom zuurstofhoudende lucht. De cervicale luchtzakken zijn de enige die niet gebruikt worden in het ademhalingssysteem maar ze dringen door tot in de botten en verlagen hierdoor de botmassa. Hiervoor zijn in verschillende dinosauriŽrs aanwijzingen gevonden. De overige luchtzakken spelen wel een rol in de ademhaling. De thoracale luchtzakken, in moderne vogels, hebben niet of nauwelijks uitstulpingen die doordringen tot in het bot, de claviculaire en abdominale luchtzakken penetreren wel tot in sommige botten en kunnen dus fossiele aanwijzingen achterlaten.


Vorkbeen van Aerosteron (boven) en Anseranas (onder).
Duidelijk te zien is het luchtgat (pneumatocoel) in het midden van het bot bij zowel de dinosauriŽr alswel bij de vogel.

Aerosteon riocoloradensis is een allosauriodae van ca 85 miljoen jaar geleden. Hij is gevonden in ArgentiniŽ. Deze 9-10 meter lange theropode heeft in leven luchtzakken gehad die vergelijkbaar zijn met die van een vogel. Hiervoor zijn op verschillende botten aanwijzingen gevonden. In wervels zijn ten eerste aanwijzingen gevonden voor de cervicale luchtzakken. In het vorkbeen (fucula)en buikribben in(gastralia)zijn luchtgaten (pneumatocoelen) gevonden die duiden op uitstulpingen van waarschijnlijk de claviculaire luchtzak en in het bekken zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van abdominale luchtzakken die niet afkomstig kunnen zijn van naar achter groeiende cervicale luchtzakuitstulpingen.


Cladogram van luchtzakken in Dinosauria.
Van Dinosauria naar vogels.

Dit bewijst dat het systeem met luchtzakken dat zo uniek is voor vogels in dinosauriŽrs al aanwezig was. Aangezien er aanwijzingen zijn voor cervicale luchtzakken in vele dinosauriŽrs, waaronder ook sauropoden, is het aannemelijk dat deze al vrij vroeg in de evolutie zijn ontstaan. Deze zijn meer bedoeld om de massa van de botten te verminderen, maar later in de evolutie komen er meer zakken bij die wel bij het ademhalingssysteem betrokken worden. De aanwijzingen hiervoor zijn aangetoond in Aerosteon en hiermee is weer een stapje op weg van dino naar vogel opgehelderd.

Referenties:
  • Sereno, Martinez, Wilson, Varicchio, Alcober & Larsson, 2008. Evidence for Avian Intrathoracic Air Sacs in a New Predatory Dinosaur from Argentina. PLoS ONE. 3(9): e3303.

Alle figuren komen uit het artikel van Sereno et al., 2008.

1002 Vliegende hagedissen uit het Trias
Auteur: drs. Martijn Gorissen.

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Gelijk de hedendaagse 'Vliegende Draak' hagedis uit het regenwoud van India en de Filippijnen, konden de Kuehneosauridae uit het Trias mogelijk ook vliegen. Dit gezien ze een soortgelijk skelet hebben. Op basis van de fossiele overblijfselen uit Groot-BrittanniŽ en VS van de Kuehneosauridae, en met behulp van moderne analogen, hebben wetenschappers Koen Stein en collegaís de vliegcapaciteiten van deze familie hagedisachtige getest in een windtunnel.

De Kuehneosauridae leefden ongeveer 210 miljoen jaar geleden in het Laat-Trias. Het zijn middelgrote (tot ongeveer 72 cm), lichtgebouwde insectivore dieren met opmerkelijke verlengingen van de buikribben aan de flanken. Deze ribben staken tot maximaal 14 cm uit en konden tevens opgevouwen worden. Er wordt aangenomen dat deze ribben bedekt waren met een dunne huid zodat het gebruikt kon worden als 'vleugel'. Vliegen zoals een vogel was er niet bij, bleef beperkt tot zweven. Keuhneosauridae waren niet de eerste vliegende vertebraten. De Coelurosauravidae uit het Laat Perm had soortgelijke vleugels, maar er is geen verwantschap tussen beiden groepen.




In de linker figuur het bovenaanzicht van de Kuenhneosauridae Kuehneosuchus latissimus (links) en Kuehneosaurus latus (rechts) in vergelijking met de 'Vliegende Draak' Draco melanopogon (midden onder). In de rechter figuur een foto van Draco melanopogon (Time-Slice Films ltd).

Twee genera behoren tot de Kuehneosauridae; de Kuehneosuchus met verlengde vleugels welke gebruikt werden om te zweven en de Kuehneosaurus met kortere vleugels die gebruikt werden als een parachute. Kuehneosuchus had waarschijnlijk omhoogstaande vleugels, maar geen extra huidmembranen tussen de vingers aan voeten en handen of tussen de achterpoten. Er bestaat onenigheid tussen de wetenschappers of deze 2 genera nu echt aparte genera zijn of slechts het mannetje en vrouwtje van een soort. Volgens de onderzoekers is het laatste van de twee goed mogelijk, net als dat de vleugels origineel en voornamelijk werden gebruikt voor sexuele vertoning of paringsriten.




Gereconstrueerd skelet van Kuehneosuchus latissimus (links) en (rechts) het model gebruikt voor de windtunnel experimenten.

Op basis van fossielen uit Groot BrittanniŽ en VS hebben de wetenschappers vier replicaís (modellen) gemaakt met o.a. verschillende stand van vleugels, stand van de poten en lengte van poten. (De modellen zijn overeenkomstig met de eigenschappen van de Kuehneosauridae, berekend op basis van de fossielen) Drie modellen zijn gebaseerd op Kuehneosuchus en ťťn op Kuehneosaurus. Dit is gedaan om wendbaarheid, snelheid, hoek en efficiŽntie te testen van het zweven of parachuteren.

De 'Vliegende Draak' is als moderne analoog gebruikt om vlieggedrag te reconstrueren van de Kuehneosauridae voor de experimenten. De reden daarvan is dat Draco melanopogon convergente evolutionaire fysiologische kenmerken laat zien aan dat van Kuehneosauridae, en dus ook mogelijk soortgelijk gedrag.




Links: het model van de Kuehneosuchus latissimus in de Windtunnel. Schanier op zijn rug is het zwaartepunt van het model. Door middel van de kabels aan de staart kan men de hoek van het model laten variŽren. Rechts: de verschillende standen van de vleugels getest in de windtunnel.

De modellen zijn uiteindelijk getest in de windtunnel van Department of Engineering van Bristol Universiteit. Hieruit blijkt dat Kuehneosuchus een redelijk efficiŽnte zwever was op basis van de lift- en wrijvingscoŽfficiŽnten. De ratio tussen het oppervlak en spanwijdte van de vleugels geeft aan dat de vleugels van Kuehneosuchus meer gebouwd zijn op beter te kunnen manoeuvreren bij lagere snelheden dan op zweven. Het zweven gebeurde bij een hoek tussen de 13 en 16 graden met snelheden tussen de 7 en 9 m/s. Kuehneosaurus vleugelratio laat daarentegen zien dat de vleugels heel erg lijken op de ratio van een parachute. Dit geeft aan dat Kuehneosaurus eerder een 'parachutist was dan een zwever. Parachuteren vond plaats bij een hoek groter dan 45 graden en een snelheid tussen de 10 en 12 m/s.

Referenties:
  • Koen Stein, Colin Palmer, Pamela G. Gill and Michael J. Benton, 2008. The aerodynamics of the British Late Triassic Kuehneosauridae. Palaeontology Vol. 51, Part 4, 2008, pp. 967Ė981.

Figuren zijn afkomstig uit het artikel van Stein et al., 2008 en van Time-slice Films ltd. http://www.timeslicefilms.com/projects/weird_nature.shtml.
Interview met auteurs J. Benton en K. Stein:
http://www.sciencedaily.com/releases/2008/07/080714192550.htm

1003 Peridotiet als natuurlijke opslag van atmosferisch CO2
Auteur: drs. Martijn Gorissen

Klik hier voor alle artikelen over Dateringen ! Klik hier voor alle artikelen over het Milieu ! Klik hier voor alle artikelen over Mineralen ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Klimaatverandering en opwarming van de aarde wordt veelal verweten aan de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) van o.a. autoís en industrie. Sinds de industriŽle revolutie (ca. 1850) is de concentratie van CO2 in de atmosfeer met meer dan 100 ppm gestegen tot boven de 350 ppm. P.B. Kelemen en J. Matter (Columbia University) hebben in Oman, in de vorm van peridotiet, een optie gevonden voor een snelle en makkelijke opslagplaats van atmosferisch CO2.


Toenamen van atmosferisch CO2 (in parts per million) over de laatste 10000 jaar en de laatste 200 jaar (IPCC, 2007).

De samenstelling van peridotiet bestaat voornamelijk uit de mineralen olivijn en verschillende pyroxenen. Deze mineralen reageren aan het aardoppervlak met water en koolstofdioxide en vormen serpentijn, Fe-oxides (magnetiet) en carbonaten (calciet, magnesiet en dolomiet). De reactie met koolstofdioxide leidt dus tot stabiele mineralen in o.a. carbonaatvorm.




De mineralen serpentijn (links), calciet (midden) en dolomiet (rechts)





en de mineralen magnetiet (links), peridotiet (midden) en olivijn (rechts).

In situ vorming van carbonaten uit peridotiet komt algemeen voor in de natuur door verweringsprocessen bij lage temperatuur. Versnellen van dit in situ proces, tot nu toe genegeerd, kan een belangrijk alternatief zijn voor de ex situ carbonaatvorming uit mineralen en CO2.


Samail ophiolite gebied ten zuiden van Muscat, Oman. Rode cirkels zijn gebruikt
voor 14C dateringen en de blauwe vierkanten zijn voor het onderzoek relevante
sedimentair carbonaat (travertine) afzettingen.

Een opgeheven stuk oceanische korst en mantel in Oman, genaamd Samail ophiolite, laat uit zichzelf al een verhoogde verweringssnelheid van peridotiet en carbonaatvorming zien. Als gevolg hiervan wordt naar men schat 10 tot 1000 ton CO2 per jaar opgeslagen. Door het gesteente in het gebied zijn daarom ook carbonaataders te zien. Deze zijn mogelijk door dit proces jonger dan voorheen werd gedacht. Na 14C datering bleken, in tegenstelling tot wat eerst werd aangenomen (30-95 miljoen jaar), de carbonaten een leeftijd te hebben van ongeveer 26.000 jaar wat als een verassing kwam.



Carbonaataders in peridotiet op 2 locaties in Oman. Links locatie 'Duck' en rechts locatie ten noorden van het dorp Batin.

Kelemen et al. laten via een simpele berekening zien, op basis van oppervlakte van het gebied en het percentage peridotiet in het gesteente, dat in Samail ophiolite bij volledige omzetting van alle Mg kationen in het peridotiet tot carbonaat (magnesiet) 7.7x1016 kg aan CO2 verbruikt wordt. Dit is vele malen groter dan het totaal kg CO2 in de atmosfeer (~2.9x1015 kg). Dit betekent theoretisch dat al het koolstofdioxide in de atmosfeer kan worden vastgelegd in dit stuk aardkost.

Kelemen et al. stellen daarom voor om dit natuurlijke proces te versnellen. Dit kan gedaan worden door het inbrengen bij een verhoogde druk en temperatuur, bij het boren in het gesteente, van boorwater met CO2. Initieel vindt er een verwarmingsstap plaats tot 25 of 30 graden celsius. Het CO2 zorgt dat via exotherme carbonaatreacties, met weinig verlies van energie, de hoge temperatuur en reactiesnelheid in stand worden gehouden. Deze in situ omzetting van peridotiet naar carbonaat kan meer dan 1 miljard ton CO2 per jaar verbruiken. Dit is een goedkope, veilige en permanente methode voor de opslag van atmosferische CO2.

Referenties:
  • P.B. Kelemen & J. Matter (2008). In situ carbonation of peridotite for CO2storage. PNAS, November 11, 2008. Vol. 105 no. 45. pp.17295-17300.

Fotoís:
CO2 grafiek is afkomstig uit IPCC rapport, 2007, de mineraal fotoís uit Wikipedia, die van de olivijn is van Courtesy NASA/JPL-Caltech en de overigen zijn uit de publicatie van Kelemen et al., 2008

1004 Darwinisme of Wallacinisme
Auteur: drs. Marvin Overbeeke

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !

Darwin en de evolutietheorie zijn innig verbonden, maar er is nog iemand die een zeer belangrijke invloed heeft gehad op de vorming van deze theorie. Alfred Russel Wallace is een naam die helaas maar bij weinigen bekend is. Deze twee mensen zijn echter wel beiden de grondlegger van de evolutietheorie en zonder een van beiden had het mogelijk nog een hele tijd geduurd voordat het aan papier toevertrouwd zou worden. Bij Darwin zat het al twintig jaar in zijn hoofd, maar hij had een zetje nodig van Wallace om het te publiceren. Wallace was jonger dan Darwin en had onder andere al een aantal van zijn publicaties gelezen totdat het in zijn hoofd vormde. Kortom, was er geen Darwin of geen Wallace geweest halverwege de 19e eeuw dan was de evolutietheorie mogelijk sterk vertraagd.

Darwin was een geletterd man van welgestelde ouders, maar Wallace was aan de andere kant iemand van arme komaf zonder hoge opleiding. Beiden waren ze in eerste instantie geÔnteresseerd in kevers. Deze interesse verkreeg Wallace door een vriend van hem waarmee hij plannen maakte om naar de Amazone af te reizen om zijn beginnende theorie te kunnen bewijzen aan de hand van het daar te verzamelde materiaal. Wallace had amper geld, maar had een goede manier gevonden om geld te verdienen voor de reis. Daar gevangen dieren werden geprepareerd en verstuurd om te worden verkocht. Doordat hij hierdoor heel veel materiaal in handen kreeg, dat hij allemaal aandachtig bestudeerde, had hij een heel goed beeld van de variatie binnen de soorten die hij ving. Na vier jaar ging hij echter weer terug naar huis, maar de boot met vele van zijn monsters en hemzelf verging. Hij overleefde en maakte alweer kort daarop plannen voor de volgende expeditie naar de Indische archipel.
Vanaf 1854 hopte hij acht jaar lang van het ene eiland naar het andere en verzamelde hij vele monsters en ideeŽn. Tijdens een koortsaanval viel alles in zijn hoofd op zijn plaats. Een groot punt was de biogeografie die hem al in de Amazone was opgevallen. Daar kwamen 3 rivieren samen en er waren 3 verwante apensoorten die maar aan 1 kant van de rivier voorkwamen.
Aan de andere kant van de wereld viel het hem op dat er een scheidingslijn was waarbij in het westen vele soorten uit Afrika en AziŽ voorkwamen en aan het oosten veel soorten die een Australische achtergrond hebben. Dit is geen logisch vervolg van het Goddelijke verhaal. Ook stelde hij zichzelf plots de vraag 'waarom gaat de ene dood en de andere nietí? Het antwoord dat bij hem opkwam was dat de best aan de omgeving aangepaste varianten overleven.


De Wallacelijn is vernoemd naar Alfred Russel Wallace.
Aan de westkant van de lijn komen voornamelijk Afrikaans-Aziatische dieren
voor zoals tijgers, tapirs en gibbons, terwijl aan de oostkant Australische dieren
zoals kaketoes, kasuarissen en kangaroes de overhand hebben.

Door dit Eureka moment stuurde hij zijn ideeŽn naar Darwin die hij op dat moment alleen nog maar kende als vriendelijke, wetenschappelijke penvriend. In de brief schreef hij dat hij hoopte dat het idee voor Darwin net zo nieuw was als voor hemzelf. Darwin had dit idee echter al twintig jaar in zijn hoofd zitten en werd hierdoor wakker, het werd tijd om zijn theorie eindelijk op papier te zetten en te stoppen met het nog verder perfectioneren van zijn gedachten. 24 November 1859 werd zijn 'On the Origin of Speciesí gepubliceerd. Als attent gebaar van Darwin stuurde hij het boek op naar Wallace die nog in IndiŽ zat. Na het een aantal keren gelezen te hebben en zich verwonderd te hebben over de manier waarop het geformuleerd was, schreef hij aan een oude vriend een brief. Hierin vertelde hij dat Wallaceís grootst mogelijke lof naar Darwin uitging. Het was zelfs Wallace die de term Darwinisme voor het eerst gebruikte. Een aantal jaren later werd de lijn die hij had ontdekt tussen Indische en Australische faunaís naar hem vernoemd door darwinist Thomas H. Huxley. Alfred Russel Wallace was zeer bescheiden en naamsbekendheid interesseerde hem niet. Daardoor maakte hij zich niet druk over wie er met de eer ging strijken over de evolutietheorie, het ging hem om zijn ideeŽn. D. Quammen & R. Clark, 2008. De andere Darwin. National Geographic, december 2008, pp.136-163.

Referenties:
  • D. Quammen & R. Clark, 2008. De andere Darwin. National Geographic, december 2008, pp.136-163.

1005 Afname groei koralen door CO2
Auteur: drs. AdiŽl Klompmaker

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

Het Great Barrier Reef aan de noordoostkust van AustraliŽ staat voor toeristen te boek als een paradijs onder water. Honderden soorten koralen zijn de basis voor tienduizenden andere organismen zoals vissen en allerlei schaaldieren. Volgens nieuwe onderzoeksresultaten in Science groeien de koralen echter minder snel sinds 1990. De stijging van de temperatuur en de CO2-concentratie zijn de waarschijnlijke veroorzakers.


Een koraalrif is een hotspot van leven.
Bron: Creative Commons.

Voor hun onderzoek hebben Deíath (Australian Institute of Marine Science, AustraliŽ) en collegaís de koraal Porites uitgekozen. Dit is een veelvoorkomend, langlevend, massief koraal tot wel 6 meter hoog dat elk jaar het skelet uitbouwt met een duidelijk laagje van carbonaat. Zo kon een reeks van eeuwen opgebouwd worden, prima geschikt om door de tijd heen de Ďcalcificatiesnelheidí te bepalen . Deze snelheid is het product van de dichtheid en de (lineaire) groei van de koraal.

Het Great Barrier Reef is meer dan 2000 km lang en daarom hebben de wetenschappers maar liefst van 69 verschillende plekken 328 kolonies van Porites onderzocht. De monsters bestrijken zo het gebied van nabij de kust tot verder in de oceaan, maar ook de laterale gradiŽnt door de lengte van het rif wordt zo meegenomen.


Een deel van het Great Barrier Reef vanuit een helikopter.
Bron: GNU.

De resultaten bevestigen wat al jarenlang werd gedacht: de calcificatiesnelheid neemt af. In dit geval is het met gemiddeld 14,2% van 1990 - 2005. Zoín afname is de laatste 400 jaar niet voorgekomen. En in die periode steeg de temperatuur op aarde ook. Dit kwam vooral door de lineaire groei van het koraal (13,3%).

Maar wat heeft de temperatuur nu met de groeisnelheid van dit koraal te maken? Alles is via een omweg verbonden met de zuurgraad (pH), die sinds de 18e eeuw daalde met Ī0,1 van 8,2 naar 8,1. De toename van de CO2-concentratie in de atmosfeer (en daarmee volgens de meeste onderzoekers de temperatuur) heeft sinds de industriŽle revolutie ook effect op de oceanen. Een kwart van de CO2 wordt namelijk opgenomen door het oceaanwater. Hierdoor zijn er minder carbonaationen beschikbaar voor kalkskelet-bouwende organismen, waaronder de koralen. Naast de pH heeft ook de temperatuur een effect op het aantal beschikbare carbonaationen: hoe hoger de temperatuur des te hoger de calcificatiesnelheid bij koralen. Denk daarbij aan het feit dat de meeste koraalriffen tussen grofweg 30į zuider- en noorderbreedte te vinden zijn. Bij een te hoge temperatuur gaat dat echter niet meer op.


De oceaanverzuring is een wereldwijd fenomeen.
Bron: Creative Commons.

Of dit nu direct de ondergang van de koralen is, valt zeer te betwijfelen. Vůůr 1990 schommelde de calcificatiesnelheid rond de 1,7 gram per cm2 per jaar. Vanaf 1990 nam de calcificatiesnelheid af van 1,76 naar 1,51 gram per cm2 per jaar. Het koraal groeit dus nog prima, maar alleen wat langzamer. Koralen zijn echter niet de enige bewoners van het rif, en met name algen rukken meer en meer op in de riffen, iets wat de onderzoekers niet melden in hun artikel. Algen groeien sneller dan koralen als er extra voedingsstoffen vanaf het land worden aangevoerd. En dat gebeurt al sinds de eerste bewoning van AustraliŽ door Europeanen in de tweede helft van de 19e eeuw. Toch hebben de koralen het tot op heden kunnen bolwerken, net als ze de toegenomen stress door de toevoer van sediment naar het rif hebben overleefd.

Maar wat gebeurt er in de toekomst als de CO2-concentratie in de atmosfeer nog verder stijgt? De oceanen worden zuurder en nog minder carbonaationen zijn beschikbaar. Als ook de temperatuur stijgt, neemt de stress op de koralen verder toe. Bleking van koralen neemt toe zoals in het extreem warme El NiŮo jaar 1998. En dan gaat het snel bergafwaarts.


De wereldtemperatuur vanaf 1850.
Bron: KNMI.

Er zitten echter wat addertjes onder het gras. Vele laboratoriumexperimenten tonen aan dat met het dalen van de pH ook de calcificatiesnelheid daalt. Eťntje echter niet en die gebruikte wťl CO2 om de pH te verlagen in plaats van zoutzuur (HCl). Een ander punt van kritiek is dat de calcificatiesnelheid pas vanaf 1990 is gaan dalen en niet eerder zoals verwacht mag worden. De CO2-concentratie is namelijk al anderhalve eeuw aan het stijgen. Hier komt de temperatuur weer om de hoek kijken als ťťn van de bepalende factoren voor de calcificatiesnelheid in koralen. Die steeg pas sinds eind jaren zeventig tot de 21e eeuw, niet vanaf de 19e eeuw. Ook nam de calcificatiesnelheid niet direct toe toen zowel CO2 als de temperatuur stegen vanaf de eind jaren zeventig. Het is dus veel ingewikkelder dan op het eerste gezicht lijkt, en naast de pH en de temperatuur hebben ook andere omgevingsfactoren invloed!


De CO2-concentratie in ppmv (deeltjes per miljoen) stijgt de laatste eeuwen.
Bron: GNU.

Referenties:
  • Deíath et al., 2009. Declining coral calcification on the Great Barrier Reef. Science 323: 116-119.
  • Kerr, R., 2009. Calcification rates drop in Australian Reefs. Science 323: 27.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl