NGV-Geonieuws 176

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Februari 2011, jaargang 13 nr. 2

Redactie: dr. W.M.L.(Willem) Schuurman

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 1140 Micro-organismen hielpen al 3,4 miljard jaar geleden om pyriet te oxideren
  • 1141 Binnen vier jaar klonen we uitgestorven wolharige mammoet - science fiction of werkelijkheid ?
  • 1142 Ammonieten hadden raspvormige tanden en aten plankton
  • 1143 Ei van pterosauriër verraadt geslacht
  • 1144 Steenkoolbranden droegen bij aan massa-uitsterving op P/T-grens
  • 1145 Heiligbeen maakte gigantisme by dino’s mogelijk
  • 1146 Ordovicische massa-uitsterving lijkt gevolg van snelle afkoeling
  • 1147 Zwavelwaterstof en gebrek aan zuurstof in vroege oceanen vertraagden ontwikkeling van het leven
  • 1148 Diepe ijsboring op Antarctica voltooid
  • 1149 De voorvader van Triceratops
  • 1150 Krekel bleef 100 miljoen jaar onveranderd

    << Vorige uitgave: 175 | Volgende uitgave: 177 >>

1140 Micro-organismen hielpen al 3,4 miljard jaar geleden om pyriet te oxideren
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Mineralen ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De oxidatie van pyriet vindt tegenwoordig plaats door verwering wanneer het mineraal gedurende langere tijd wordt blootgesteld aan een oxiderende omgeving, zoals onze atmosfeer. Het proces wordt bevorderd door micro-organismen, die ijzer of zwavel voor hun stofwisseling gebruiken. In de vroege aardgeschiedenis was het zuurstofgehalte van de atmosfeer nog geen duizendste procent van nu, en ook andere chemische stoffen die tot oxidatie zouden kunnen leiden waren niet of nauwelijks voorhanden. Toch werd ook toen al pyriet geoxideerd, en het lag dan ook voor de hand om aan te nemen dat de toen al aanwezige micro-organismen daarbij de hoofdrol speelden. Dat blijkt nu ook werkelijk het geval te zijn geweest.

Een en ander blijkt uit pyrietkorrels die, na erosie en transport, ingebed werden in een zandsteenpakket van de 3,43-3,35 miljard jaar oude Strelly Pool Formatie in westelijk Australië. Deze pyrietkorrels bleken als het ware te zijn gekoloniseerd oor micro-organismen. Ze lieten daarbij een fijn-gelamineerde coating op de korrels achter van koolstofhoudend materiaal. De coatings moeten zijn ontstaan in het vroeg Archeïcum, en bevatten plaatselijk concentraties van stikstof, die de onderzoekers beschouwen als de restanten van biofilms die werden geproduceerd door micro-organismen die zich op de voedselrijke mineraalkorrels hadden gevestigd.


De microscopisch dunne, koolstofhoudende
coating op de pyrietkorrels (bij pijl in
linkerfiguur; als dunne witte zone in de
middelste en rechterfiguur).


Links de zandsteen met ronde clast waarin
veel pyriet (rechts: witte deeltjes) voorkomt.

De aanwezigheid (en activiteit) van de micro-organismen blijkt ook uit de ronde putjes (met afmetingen in de orde van grootte van een micron) die ze op het pyriet-oppervlak hebben achtergelaten, soms achter elkaar als de kralen van een ketting. In andere gevallen zijn die ‘kralen’ als het ware met elkaar verbonden geraakt, zodat ze een soort geultje vormen. Dergelijke oppervlakteverschijnselen kennen we niet van verweringsprocessen, maar wel van de activiteit van nu levende micro-organismen. De putjes en geultjes vormen in de meeste gevallen clusters, wat erop wijst dat de organismen in kolonies leefden.


Putjes, 'kralensnoer' en geultjes in
het pyrietoppervlak.


Ontsluiting (links) en schematische
stratigrafie (rechts) van de Strelley
Pool Formatie.


Nog niet eerder kon worden vastgesteld dat ijzer- en zwavelreducerende micro-organismen al in het Voeg-Archeïcum actief waren. Het lijkt de onderzoekers nu niet onwaarschijnlijk dat dit type organismen ook een rol heeft gespeeld bij de vorming van de nog steeds raadselachtige zogeheten banded iron formations (gebande ijzerformaties, BIFs) die alleen uit de vroege aardgeschiedenis bekend zijn. De onderzoekers verbinden aan hun bevindingen ook de conclusie dat de nog steeds in alle hevigheid gaande jacht op buitenaards leven aandacht zou moeten besteden aan pyriet, omdat dit mineraal kennelijk een aantrekkelijke voedingsbodem heeft gevormd (en waarschijnlijk nog vormt) voor micro-organismen die nog aan het begin staan van een evolutionair proces.

Referenties:
  • Wacey, D., Saunders, M., Brasier,M.D. & Kilburn, M.R., 2011. Earliest microbially mediated pyrite oxidation in ~3.4 billion-year-old sediments. Earth and Planetary Science Letters 301 (2011) 393-402.

Foto's welwillend ter beschikking gesteld door David Wacey, Centre for Microscopy, Characterisation and Analysis, The University of Western Australia, Crawley (Australië).

1141 Binnen vier jaar klonen we uitgestorven wolharige mammoet - science fiction of werkelijkheid ?
Auteur: Dr. Willem M.L. Schuurman

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De permafrost in Siberië smelt steeds sneller door de opwarming van ons klimaat en brengt onverwachte schatten naar boven, zoals dit perfect bewaarde baby-mammoetje dat tussen de 10.000 en 40.000 jaar geleden gestorven is (Afbeelding 1; zie ook Geonieuws 847).


Baby mammoet uit west Siberië

Akiri Iritani, een professor aan de universiteit van het Japanse Kyoto, zegt dat hij een mammoet kan klonen. "Ik denk dat we een redelijke kans hebben om binnen vier à vijf jaar een gezonde mammoet te verwekken", beweert de wetenschapper.

Er zijn al heel wat films gemaakt en boeken geschreven over het klonen van lang uitgestorven dieren, maar, hoe hoog ook de entertainmentwaarde, zoiets leek vooralsnog puur fantasie. Want hoewel de procedure om uitgestorven dieren te klonen ondertussen theoretisch mogelijk lijkt te zijn, is er goed bewaard DNA voor nodig, en dat is nu eenmaal niet direct voorhanden.

De wolharige mammoet, die ongeveer 5000 jaar geleden uitstierf, is erg moeilijk te klonen omdat de celkernen (en het DNA) die gevonden worden in spierweefsel en huidcellen van wolharige mammoeten uit de Siberische permafrost meestal ernstig beschadigd zijn door kou, straling en/of bacteriën. Een groot aantal pogingen in de jaren negentig waren daardoor niet succesvol. Echter, in 2008 ontwikkelde Dr. Teruhiko Wakayama van het Riken Centre for Development Biology (het Japanse TNO) een kloon techniek die hem in staat stelde om een muis te klonen uit de bevroren huidcellen van een muis die al 16 jaar dood was. Deze techniek nu maakt het volgens Prof.Iritani mogelijk om bevroren spier of huidcellen van fossiele wolharige mammoeten met succes te gebruiken voor het klonen van deze soort. De Japanners lanceerden al meer dan 10 jaar geleden het ‘Mammut creation Project”: het idee om een wolharige mammoet terug te klonen; een langharige reus met gekrulde slagtanden. Zijn meest naaste verwant, de Indische olifant, zou als moeder en eiceldonor kunnen optreden. De Japanners willen het liefst intacte zaadcellen van de mammoet gebruiken, die dan moeten versmelten met een eicel van de olifant. Als er evenwel geen bruikbare zaadcellen voorhanden zijn wil men terugvallen op celkernen verkregen uit goed bewaard spier of huidweefsel. Het idee lijkt onrealistisch, maar spreekt te zeer tot de verbeelding om meteen als science fiction aan de kant te schuiven.

Het plan
Het plan is als volgt: in de zomer van 2011 of 2012 trekt Prof. Iritani naar Siberië om er in de door de opwarming van de aarde steeds sneller smeltende permafrost een geschikt mammoet fossiel te vinden. Uit huid of spierweefsel haalt Prof. Iritani vervolgens celkernen, gebruik makend van de techniek die zijn collega Wakayama ontwikkelde. De volgende stap is het inbrengen van een van de celkernen in een eicel van een Indische of Afrikaanse olifant, die als draagmoeder voor de mammoet zal fungeren.
Volgens Prof.Iritani zijn we dan al wel twee jaar verder. Als we ons dan ook nog realiseren dat de draagtijd van een olifant zo’n 600 dagen is, dan zijn we in het gunstigste geval zeker 4 jaar verder voordat we de geboorte van de eerste mammoet tegemoet kunnen zien.

Business met fossielen in de toendra
Het vinden van een goed, bruikbaar mammoet fossiel is misschien niet zo makkelijk, maar de opwarming van het klimaat kan daarbij van pas komen. In de laatste jaren is in de Siberische toendra, en speciaal in het Kolyma gebied in Noordoost Siberië (onderdeel van de Russische autonome republiek Jakoetië), een heuse industrie ontstaan rond fossielen die worden prijsgegeven door de smeltende permafrost. De Jakoeten, een nomadenvolk dat met rendieren door het land trekt, stuiten er voortdurend op beenderen van uitgestorven dieren en ook steeds vaker op erg goed bewaarde karkassen van ondermeer mammoeten.De Jakoeten krijgen tussen 200 en 4.000 roebel (€5 - €100) per kilo voor beenderen van uitgestorven dieren, afhankelijk van de kwaliteit. Voor een goed bewaarde en volledige schedel wordt zelfs 200.000 roebel (€5.000) betaald, een bedrag waar een Jakoet normaal twee jaar voor moet werken. Privéverzamelaars hebben al €15.000 neergeteld voor één van de enorme slagtanden van een mammoet en klanten, onder wie steeds meer inkopers voor musea in Azië, tellen tot €150.000 neer voor een volledig mammoet skelet.

Twee sneeuwscooters en jaarvoorraad eten voor perfect bewaard mammoetje
De regio is bijzonder moeilijk bereikbaar en geïsoleerd, maar de buit is overvloedig en voor wie zijn weg kent op de toendra liggen de fossielen blijkbaar voor het oprapen. Dat geldt ook voor het Jamal-schiereiland in noordwest Siberië waar de Nenetsen met hun 500.000 rendieren rondtrekken. In mei 2007 stuitte één van de rendierherders op de overblijfselen van een 40.000 jaar oude baby-mammoet. De herder bewaarde het fossiel van het kalfje een maand buiten zijn tent - zolang duurde het voor wetenschappers het konden komen oppikken - en zelfs daarna zag het er onwaarschijnlijk goed bewaard uit (zie afbeelding 1). De wetenschappers kochten het mammoetkalfje voor twee sneeuwscooters en een jaarvoorraad eten.

{table]
reconstructie wolharige mammoet

Grazige steppe
Wat als de Japanners succesvol zijn? Waar moeten deze wolharige mammoeten leven? Dat leefgebied hoeft misschien geen probleem te zijn. Russische ecologen zijn onder leiding van Prof Zimov al tien jaar bezig met het inrichten van een zogenaamd Pleistoceen Park op de toendra in Oost-Siberië. De Russen laten in dit reservaat bizon, muskusos, wilde paarden, rendieren en elanden los. Een toekomstige introductie zou bijvoorbeeld ook een groot roofdier kunnen zijn zoals de Siberische tijger. De grote grazers verstoren met hun hoeven de toplaag van de grond en bevorderen zo de grassgroei. De mossen, die hier dominant waren verdwijnen geleidelijk om plaats te maken voor steeds meer gras. Dit gras kan op zijn beurt weer nog grotere hoeveelheden grazers voeden.
Prof.Zimov probeert hiermee ook aan te tonen dat het menselijke bejaging was, die een einde maakte aan het bestaan van de mammoetsteppe en haar bewoners en niet alleen klimaatsverandering. Tenslotte wordt hiermee een poging gedaan de ontdooiing van de Siberische permafrost (veroorzaakt door het versterkte broeikaseffect) af te remmen. Het idee is dat de grote grazers in de winter de sneeuwlaag vertrappelen waardoor de kou veel dieper in de grond kan doordringen. Hierdoor zou het vrijkomen van grote hoeveelheden opgeslagen koolstof en methaan worden voorkomen. Het huidige (omheinde) natuurreservaat is ongeveer 160 km2 groot. Dit kan als het project succesvol blijkt te zijn vergroot worden tot 600 km2. In een volgende stadium worden alle omheiningen weggehaald en kunnen de dieren zich verspreiden over het 500.000 km2 grote Laagland van Kolyma. Mocht het ooit lukken een mammoet te klonen, dan is er hier tenminste één leefgebied voor dit dier gecreëerd.

Voetnoot; voor verdere informatie over dit onderwerp zie ook Geonieuws 379 'DNA in bodem blijft honderduizenden jaren herkenbaar', Geonieuws 847 'Gave babymammoet gevonden in Siberie" en Geonieuws 1011 'Het begin van een Pleistocene dierentuin".

Referenties:
  • www.hln.be, 17/01/11
  • wikipedia

foto's overgenomen van wikipedia.

1142 Ammonieten hadden raspvormige tanden en aten plankton
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Ammonieten behoren tot de meest gewilde objecten van fossielenverzamelaars. Dat komt niet alleen vanwege het feit dat ze vaak worden gevonden in gesteenten waaruit ze goed zijn los te maken, maar ook vanwege de vaak fraaie (gepyrietiseerde, geopaliseerde) aanblik die ze hebben. Bovendien hebben sommige geslachten van de ammonieten - die gewoonlijk bestaan uit platte, opgerolde schelpen - vreemde vormen, zoals de ‘wenteltrap’ Helioceras. Er zijn ook vrijwel rechte, niet of nauwelijks gewonden geslachten, zoals Baculites. Dit laatste geslacht heeft nu een lang bewaard geheim prijsgegeven, namelijk hoe en wat ammonieten aten.


Ammonieten komen o.a. in geopaliseerde
vorm voor, zoals dit exemplaar van
Placenticeras.


Een vreemde vorm heeft de ammoniet
Helioceras.


Ammonieten komen in grote hoeveelheden voor in de aardgeschiedenis: van ongeveer 400 miljoen jaar geleden (Vroeg-Devoon) tot 65 miljoen jaar geleden (grens Krijt/Tertiair). Hoewel hun schaal in het algemeen goed bewaard is gebleven, ontbraken tot nu toe echter veel details die opheldering konden geven over hun inwendige structuur, hun anatomie en hun leefwijze. Ook was de plaats die ze ruim 300 miljoen jaar lang in de voedselketen innamen, niet duidelijk. Drie exemplaren van Baculites uit de Amerikaanse staat South-Dakota hebben dat beeld nu ingevuld, dankzij de nieuwe mogelijkheden die zogeheten röntgen-synchotron-microtomografie biedt. Dat is een techniek waarbij met röntgenstraling steeds een extreem dun niveau van een onderzocht voorwerp kan worden bekeken. Het is momenteel de meest precieze niet-destructieve manier om het inwendige van een voorwerp in zeer groot detail te onderzoeken. Dat gebeurt door een ‘eindeloos’ aantal van direct aan elkaar passende niveaus te bekijken, waardoor een 3-dimensionaal beeld van het inwendige van het bestudeerde voorwerp ontstaat.


De schelp van Baculites
is slechts licht gebogen.


Baculites grandis kan meer
dan een meter lang worden.


Het verkregen 3-D beeld toont tot in de fijnste details de kaken en de tanden van de onderzochte exemplaren. De kaken liggen net binnen de laatste kamer. Hun radula, te vergelijken met een rasp-achtige tong, vertoont uitsteeksels die als een soort tanden kunnen worden beschouwd. De vormen van deze tanden varieert met de plaats op de radula; sommige zijn scherp als een mes, andere vertonen een gebogen vorm. De kaak blijkt karakteristiek voor de aptychoforen, de groep ammonieten waartoe Baculites behoort.


Reconstructie van Baculites grandis.


De gereconstrueerde radula van
Baculites; iedere kleur
geeft een bepaald soort tand aan.


Interessant is dat een van de onderzochte exemplaren een klein slakje en drie kleine kreeftachtige diertjes nog in zijn bek heeft; een van die kreeftjes is in tweeën gespleten. Omdat dergelijke planktonische diertjes niet elders op of in de ammoniet zijn aangetroffen, vermoeden de onderzoekers dat het ‘gespleten’ kreeftje net in tweeën was gebeten en dat ze het laatste maal van de ammoniet vormden. De plotselinge opbloei van de aptychoforen in het Vroeg-Jura lijkt hiermee bovendien verklaarbaar, want ook het plankton begon toen aan een plotselinge bloeiperiode. Het plankton kreeg een geweldige knauw na de inslag op de K/T-grens, en dat verklaart mogelijk waarom ook de ammonieten toen (op de ermee verwante Nautilus na) uitstierven: hun voedselbron verdween vrijwel geheel.

Referenties:
  • Kruta, I., Landman, N., Rouget, I., Cecca, F. & Tafforeau, P., 2011. The role of ammonites in the Mesozoic food web revealed by jaw preservation. Science 33, p. 70-72.

Foto radula (Taffereau/Kruta): American Museum of Natural History, Washington D.C. (Verenigde Staten van Amerika).

1143 Ei van pterosauriër verraadt geslacht
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Voor het eerst is het gelukt het geslacht vast te stellen van een pterosauriër. Deze vliegende reptielen leefden, grotendeels gelijktijdig met de dinosauriërs, van 220 tot 65 miljoen jaar geleden.

Het vaststellen van het geslacht van het 160 miljoen jaar oude (Jura) vrijwel complete en onbeschadigde exemplaar van Darwinopterus modularis, dat in de Chinese provincie Liaoning is gevonden, was niet moeilijk: het bevat een ei. Het dier, dat een spanwijdte moet hebben gehad van 78 cm, was dus een vrouwtje. Het heeft inmiddels de koosnaam ‘Mrs T.’ (Mevrouw Pterodactylus) gekregen. Hoewel pterosauriërs in films en dergelijke vrijwel onveranderlijk met een grote kam op de kop worden afgebeeld, heeft Mrs T. geen kam. Voor de specialisten is dat geen verrassing, want het was allang bekend dat niet alle pterosauriërs een dergelijke kam hadden.


Detail van het ei (28 bij 22 mm)
van ‘Mrs T’ (foto Lü Junchang).


Darwinopterus jaagde
onder meer op Anchiornis
(tekening Mike Witton).


Vanwege de relatie tussen het al dan niet hebben van een kam en andere anatomische kenmerken (exemplaren zonder kam hebben bijv. bredere heupbeenderen dan exemplaren met een kam), waren de specialisten al eerder tot de conclusie gekomen dat de kam waarschijnlijk voorbehouden was aan mannelijke exemplaren; dat blijkt nu dus juist (Mrs T. heeft ook brede heupen, die de doorgang van het ei moeten vergemakkelijken). De conclusie dat vrouwtjes geen kam hadden, en dat de mannetjes die wel hadden, is daarom nu niet erg gewaagd meer. Die conclusie maakt het nu ook mogelijk om het geslacht van een pterosauriër vast te stellen als hetzij een kam, hetzij heupbeenderen bij een gevonden exemplaar aanwezig zijn.


De mannetjes van Darwinopterus
hadden een grote kam op de kop, de
vrouwtjes niet (tekening Mike Witton).


Het fossiel van ‘Mrs T.’ met
haar ei (foto Lü Junchang).


Het doel van de kam is niet objectief vast te stellen, maar het wordt het meest waarschijnlijk geacht dat die een rol speelde bij het paringsgedrag: de eigenaar moest daarmee indruk maken op de partner. In dat verband lijkt het, gezien soortgelijke tendensen bij andere diersoorten (vooral vogels), ook logisch dat de mannetjes van een dergelijke kam waren voorzien; waarschijnlijk was die ook ‘attractief’ gekleurd.

Mrs T. lijkt een drama te vertegenwoordigen. Het ei was al zover ontwikkeld dat Mrs T. op het punt moet hebben gestaan om het ei te leggen. Voordat ze zover was, brak ze echter haar linkervleugel, mogelijk als gevolg van een storm. Ook sluiten de onderzoekers niet uit dat een vulkanische eruptie (getroffen door een vulkanische bom?) daaraan schuldig was, want vulkanische uitbarstingen kwamen destijds in het huidige Liaoning veelvuldig voor. Hoe het ook zij, met een gebroken vleugel was Mrs T niet langer in staat om op een prooi te jagen (tot de prooidieren behoorden waarschijnlijk vroege gevederde dino’s zoals Anchiornis); ze was naar alle waarschijnlijkheid zelfs geheel niet meer in staat om te vliegen, want ze moet in het water zijn gevallen, verdronken en naar de bodem gezonken. Daar verging haar met water verzadigde karkas, waarna haar ei door natuurlijke processen uit de eileider werd geperst tot tussen haar poten, waar het zich nu nog bevindt.


De schedels van het mannetje (boven)
en het vrouwtje (onder) van
Darwinopterus.


Mede-onderzoeker David Unwin.


Referenties:
  • Lü, J., Unwin, D.M., Deeming, D.Ch., Jin, X., Liu, Y. & Ji, Q., 2011. An egg-adult association, gender, and reprouction in pterosaurs. Science 331, p. 321-324.

Foto’s: University of Leicester, Leicester (Groot-Brittannië).

1144 Steenkoolbranden droegen bij aan massa-uitsterving op P/T-grens
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De grootste massa-uitsterving vond zo’n 250 miljoen jaar geleden plaats, op de grens van Perm en Trias (dus ook van Paleozoïcum en Mesozoïcum). Er zijn talloze hypotheses aangedragen om deze uitsterving, waarbij ongeveer 95% van het zeeleven en 70% van het landleven verdween, te verklaren. Waarschijnlijk speelden veel van de in die hypotheses aangedragen oorzaken (vulkanisme, klimaatverandering, etc.) een rol, maar het blijft onduidelijk waarom zelfs een combinatie van al die mogelijke oorzaken zo’n dramatisch effect had op het leven op aarde.

Nu is er nog een mogelijk additionele oorzaak gevonden: steenkoolbranden. Momenteel woeden er in China op tal van plaatsen ondergrondse steenkoolbranden die niet zijn te stoppen. Dat betekent de ontwikkeling van enorme rookvelden, veel giftig koolmonoxide en veel kooldioxide dat kan functioneren als broeikasgas. Dat dergelijke branden ook plaats vonden rond de P/T-grens is heel goed mogelijk, want in het onderliggende Carboon werden enorme hoeveelheden plantaardig materiaal opgeslagen die gedurende het Perm begraven zijn en langzaam veranderden in dikke turf, bruinkool of zelfs steenkool lagen


Buchanan Lake met de lagen met
vliegas die op de P/T-grens werden
afgezet (foto Stephen Grasby).


Micro-opnames van vliegas bij
Buchanan Lake (links) en van een
moderne kolencentrale (rechts).


Dat er destijds inderdaad steenkoolbranden zijn opgetreden, blijkt uit de vondst van vliegas die in het hoge noorden van Canada is gevonden bij Buchanan Lake. De vliegas-deeltjes vertonen grote gelijkenis met de deeltjes zoals die bij het verstoken van steenkool in kolencentrales ontstaan, en daarom staat de herkomst van deze deeltjes vast. De branden, die van grote omvang moeten zijn geweest, zijn mogelijk indirecte effecten van vulkanische erupties (die immers ook op grote schaal optraden op de P/T-grens). Ook kunnen de steenkoolbranden direct door vulkanisme zijn ontstaan en zich daarna ondergronds over enorme afstanden hebben verspreid.

De verspreiding van de as, die weer neerviel na verspreiding via de atmosfeer, kan hebben geleid tot grote problemen voor de flora. Zoals ook bekend is van recent vulkanisme, kunnen dergelijke afzettingen van zeer fijnkorrelig materiaal de bladeren van planten zodanig dik bedekken dat die hun huidmondjes (stomata) niet meer kunnen laten functioneren. Dat leidt dan tot de afsterving van het plantendek, waarmee ook het voedsel voor de dieren verdwijnt. Hierbij moet tevens worden bedacht dat zowel de vliegas als de bij steenkoolbranden optredende rookgassen veel giftige componenten bevatten.


Onderzoeksleider Stephen Grasby
bij Buchanan Lake.

Referenties:
  • Grasby, S.E., Sanei, H. & Beauchamp, B., 2011. Catastrophic dispersion of coal fly ash into oceans during the latest Permian extinction. Nature Geoscience 4, blz. 104-107.

Foto’s: University of Calgary, Calgary (Canada).

1145 Heiligbeen maakte gigantisme by dino’s mogelijk
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers !

Hoe konden de Sauropodomorpha, een taxon binnen de dinosauriërs, zich ontwikkelen tot de grootste landdieren ooit? Omstreeks 230 miljoen jaar geleden bestond deze groep voor het grootste deel uit alleseters ter grootte van een gemiddelde hond. In de loop van 80 miljoen jaar evolueerden ze tot de Sauropoda, een groep planteneters met een lange nek en met vaak reusachtige afmetingen, zoals in het geval van de bekende Apatosaurus (nog steeds beter bekend onder de wetenschappelijk achterhaalde naam Brontosaurus). Een dergelijke evolutie vereist grote aanpassingen, enerzijds van het lichaam zelf (de poten moeten immers een kolossaal gewicht dragen) alsook van het gebit (overgang van omnivoor naar herbivoor).

Gedurende de evolutie van (sommige) Sauropodomorpha tot Sauropoda ontstonden als tussenstap de Prosauropoda. Daarvan zijn slechts weinig fossielen bekend, en hoe de overgang van de Prosauropoda naar de Sauropoda verliep was dan ook nauwelijks bekend. Nu is echter een soort ‘missing link’ gevonden op een afgelegen plek in Argentinië, op een steile helling. Het kostte drie veldzomers om de resten van het skelet, dat overigens niet compleet is, van deze plek uit te graven en in zekerheid te stellen. De botten behoren toe aan een exemplaar van Leonerasaurus taquetrensis, een soort die tal van kenmerken vertoont die de evolutionaire overgang kenmerken.


Het gereconstrueerde skelet van
Leonerasaurus taquetrensis.

Het exemplaar is met zijn lengte van zo’n 2,5 m nog klein in vergelijking met de grootste sauropoden, die wel 40 m groot werden. Maar het heeft al wel een kenmerk dat bij de grote sauropoden thuishoort: een heiligbeen (de vergroeide onderste wervels van de wervelkolom) die een zeer gespierd bekkengebied mogelijk maken. Tot nu toe werd aangenomen dat de groeiende omvang van de sauropoden op den duur moet hebben geleid tot een stevig heiligbeen, maar nu blijkt dus dat het heiligbeen zich al had ontwikkeld voordat gigantisme optrad. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat zich eerst een stevig heiligbeen moest ontwikkelen om, samen met het bekken, zodanig sterke spierstelsels mogelijk te maken dat zich grote poten konden ontwikkelen die in staat waren om een zwaar lichaam te dragen.

Ook het gebit vertoont een overgangsfase. Gigantisme vereist een grote hoeveelheid voedsel. Dat betekent dat relatief snel moet worden gegeten; daarvoor is het nodig het voedsel snel in kleine stukjes te scheuren (en door te slikken). Dat lukt niet met de primitieve bladvormige tanden van de prosauropoden; de sauropoden hebben dan ook een soort lepelvormige tanden waarmee bladeren en takken snel in stukken kunnen worden gebeten. Leonerasaurus taquetrensis blijkt ‘in de overgang’ te zitten: hij had achterin zijn bek nog wel de primitieve bladvormige tanden, maar voorin had hij al het meer geavanceerde lepelmodel. Een soortgelijke tussenfase was eerder waargenomen bij onvolgroeide exemplaren van Mussaurus, een dier dat al bijna tot de sauropoden moet worden gerekend. Kennelijk geldt dus dat eerst de voorste tanden evolueren, en daarna de tanden achterin de bek.

Referenties:
  • Pol, D., Garrido, A. & Cerda, I.A., 2011. A wew sauropodomorph dinosaur from the Early Jurassic of Patagonia and the origin and evolution of the Sauropodtype sacrum. PLoS ONE 6 (1): e14572; doi:10.1371/journal.pone.0014572.

1146 Ordovicische massa-uitsterving lijkt gevolg van snelle afkoeling
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De op een na grootste massa-uitsterving vond ongeveer 450 miljoen jaar geleden plaats (Laat-Ordovicium); meer dan 75% van de mariene fauna overleefde deze dramatische gebeurtenis niet. In tegenstelling tot massa-uitstervingen op de Perm/Trias grens ( grootste bekende massa-uitsterving), waarvoor tal van oorzaken zijn gesuggereerd, en de massa-uitsterving op de grens Krijt/Tertiair ( meteoriet inslag), bestaan er voor de laat-Ordovische gebeurtenis nauwelijks goede verklaringen. Men vermoedde echter al lange tijd dat sterke afkoeling resulterend in een Ordovische ijstijd een belangrijke oorzaak is geweest. Hoe dat precies in zijn werk kan zijn gegaan, was echter ongewis. Nu is dat iets duidelijker geworden.

De onderzoekers gebruikten bij hun studie een nieuw type ‘paleothermometer’. Ze bepaalden daarvoor de chemische samenstelling van de schelpen van diverse diergroepen. Uit die gegevens konden ze de temperatuur van het zeewater gedurende het Laat-Ordovicium bij benadering vaststellen. De uitkomst van hun bepalingen was verrassend, want er moet een klimaatsysteem actief zijn geweest dat duidelijk verschilde van de klimaatsystemen die we van de laatste 100 miljoen jaar kennen.


Monster met fossiele pelecypoden,
brachiopoden, gastropoden en trilobieten
gebruikt voor chemische analyse t.b.v.
bepaling van de paleotemperatuur.


Een van de locaties op het eiland
Anticosti in Quebec waar de onderzoekers
fossielen verzamelden.


De nieuw gebruikte paleothermometer biedt mogelijkheden om de temperatuur te bepalen van zeewater uit inmiddels verdwenen oceanen. Dat opent nieuwe perspectieven, want de voor het Pleistoceen gebruikte methode (waarbij de verhouding tussen de diverse zuurstof-isotopen in schelpen wordt gemeten, als maat voor de isotopenverhouding in het zeewater, die weer afhangt van de hoeveelheid in ijs vastgelegd zeewater) gaat niet zonder meer op voor pre-Pleistocene ijstijden, omdat de toenmalige verhouding van de zuurstof-isotopen in het zeewater niet bekend is. De nieuwe paleothermometer meet in feite niet de hoeveelheid landijs, maar de temperatuur van het zeewater zelf, en is daarom een meer directe methode.

De continenten waren in het Laat-Ordovicium vrijwel alle met elkaar verbonden in het supercontinent Gondwanaland, dat zich toen van het noordelijk halfrond tot aan de Zuidpool uitstrekte. De massa-uitsterving trad op toen het klimaat zo ver afkoelde dat er landijskappen werden gevormd; het landijs in Gondwanaland bereikte een volume van 150 km3, dat is meer dan tijdens het hoogtepunt van de laatste ijstijd, 20.000 jaar geleden. De polaire ijskappen bleven miljoenen jaren bestaan maar leidden slechts tot een kort interval waarin het zeewater ook in de tropen duidelijk afkoelde met ongeveer 5 °C. Toch werd ook toen de temperatuur van het zeewater niet extreem laag: in de tropen was deze zelfs hoger dan nu, maar de daling met vijf graden leidde kennelijk tot teveel stress voor de fauna. Dat blijkt uit de bevinding dat juist de periodes van versnelde temperatuurdalingen samenvielen met dramatische afnames van de biodiversiteit van de laat-Ordovicische mariene fauna.

Referenties:
  • Finnegan, S., Bergmann, K., Eiler, J.M., Jones, D.S., Fike, D.A., Eisenman, I., Hughes, N.C., Tripati, A.K. & Fischer, W.W., 2011. The magnitude and duration of Late Ordovician–Silurian glaciation. Science, DOI:10.1126/science.1200803.

Foto’s: California Institute of Technology, Pasadena, CA (Verenigde Staten van Amerika).

1147 Zwavelwaterstof en gebrek aan zuurstof in vroege oceanen vertraagden ontwikkeling van het leven
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Oceanografie !

Voor de zogeheten ‘Grote Oxidatie-Gebeurtenis’, die ongeveer 2,4 miljard jaar geleden optrad, hadden de oceanen een ander chemisch karakter dan tot nu toe werd gedacht. Uit nieuw onderzoek blijkt dat de oceanen niet een relatief laag zuurstof gehalte hadden, zoals tot nu toe meestal werd aangenomen, maar dat ze bijna zuurstofvrij moeten zijn geweest. Bovendien kwamen er op veel plaatsen in de oceanen hoge concentraties zwavelwaterstof (H2S) voor. De combinatie van deze twee eigenschappen is verrassend, want zwavelwaterstof ontstaat in zee door de reductie van sulfaten die door rivieren vanaf het continent naar de oceanen worden vervoerd. Echter, sulfaten komen in de rivieren terecht doordat gesteente verweerd onder invloed van zuurstof in de atmosfeer. Maar zelfs een lage concentratie was kennelijk niet in de atmosfeer aanwezig, evenmin als in de oceanen.

De chemie van de oceanen moet voor de Grote Oxidatie-Gebeurtenis dus heel anders (en veel complexer) zijn geweest dan tot nu toe werd aangenomen. Het is dan ook de vraag hoe de grote hoeveelheden zwavelwaterstof dan in die oude oceanen terecht kunnen zijn gekomen in de afwezigheid van zuurstof. Volgens de onderzoekers kan dat gebeurd zijn doordat zwavel via vulkanische uitbarstingen in de oceanen terecht kwam, waarna zwavelreducerende bacteriën de zwavel omzetten in zwavelwaterstof. Dit zou ook verklaren waarom de concentratie aan zwavelwaterstof van plaats tot plaats in de oceanen sterk uiteenliep.

Voor het onderzoek werden gesteenten uit het westen van Australië geanalyseerd die rijk zijn aan pyriet (FeS2). De gesteenten dateren van 2,6 miljard jaar geleden, dus 200 miljoen jaar voor de Grote Oxidatie-Gebeurtenis. Eerder onderzoek had al uitgewezen dat gesteenten van 2,5 miljard jaar oud tekenen vertonen van de aanwezigheid van enig zwavelwaterstof in de oceanen. Zo’n 100 miljoen jaar eerder was die concentratie dus veel hoger( aanwezigheid grote hoeveelheden pyriet). Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat de chemie van de oceanen pas (relatief) kort voor de Grote Oxidatie-Gebeurtenis begon te veranderen, en wel in die zin dat de reducerende omstandigheden minder werden, waarschijnlijk door de (aanvankelijk nog zeer langzame) toename van zuurstof. Maar de vele zwavelwaterstof, in combinatie met de zeer geringe hoeveelheden zuurstof tot vlak voor de Grote Oxidatie-Gebeurtenis - die het startschot vormde voor een plotselinge opbloei van het nog wel zeer primitieve leven - moet de ontwikkeling van dat leven langdurig sterk hebben vertraagd.

De vrijwel totale afwezigheid van zuurstof in het zeewater tot vlak voor de Grote Oxidatie-Gebeurtenis blijkt ook uit het feit dat molybdeen nauwelijks in de 2,6 miljard jaar oude gesteenten voorkomt (en dat er dus geen verwering van continentale gesteenten plaatsvond). Dit element vormt niet alleen een proxy voor de hoeveelheden zuurstof in atmosfeer en oceaan, maar neemt ook een sleutelpositie in wat betreft de voedingsstoffen voor organismen (zoals cyanobacteriën). Cyanobacteriën waren waarschijnlijk de eerste organismen die in grote hoeveelheden in zee voorkwamen, maar tot de Grote Oxidatie-Gebeurtenis vonden ze kennelijk onvoldoende noodzakelijke sporenelementen in het zeewater, waardoor ze beperkt in aantal bleven en dus ook nauwelijks zuurstof produceerden. Dat molybdeen al wel voorkomt in gesteenten van 2,5 miljard jaar oud, geeft aan dat toen inmiddels de continentale verwering was begonnen.


Onderzoekers Clint Scott (links)
en Timothy Lyons (rechts).

Referenties:
  • Scott, C.T., Bekker, A., Reinhard, C.T., Schnetger, B.Krapez, B., Rumble III, D. & Lyons, T.W., 2011. Late Archean euxinic conditions before the rise of atmospheric oxygen. Geology 39, p. 119-122.

Foto: University of California, Riverside, CA (Verenigde Staten van Amerika).

1148 Diepe ijsboring op Antarctica voltooid
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Glaciologie ! Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

De grote boring door het ijs van Antarctica, uitgevoerd op de ‘waterscheiding’ van westelijk Antarctica (op zo’n 1000 km van de Zuidpool), is voltooid. De boring is, met een diepte van 3331 m, de op één na diepste ijsboring ooit op Antarctica (alleen een boring boven Lake Vostok ging nog dieper). De boring werd beëindigd toen hij nog slechts zo’n 100 m was verwijderd van het contact met de minerale ondergrond. Dat gebeurde om te voorkomen dat een eventuele watervoerende laag van gesteentegruis op het grensvlak van ijs en ondergrond ter plaatse zou worden verontreinigd.


IJskern in de boor
(foto Mark Twicler,
University of New Hampshire).


Inspectie van een ijskern
(foto Kendrick Taylor, DRI).


De boring moet, via analyse van het ijs en van de daarin opgesloten luchtbelletjes, inzicht geven in de klimaatveranderingen gedurende de laatste 100.000 jaar. De boring vormt onderdeel van een project dat zes jaar geleden begon, en dat nog zo’n twee jaar zal duren. In die twee jaar zullen nog wat kleine boringen worden gezet om aanvullende gegevens te verzamelen en ook zullen logs van de boorgaten worden gemaakt. En uiteraard zal de kern van de hoofdboring nauwkeurig worden onderzocht.

Er bestaat al geruime tijd een wetenschappelijke controverse over het verband tussen de atmosferische CO2-concentratie en de temperatuur op aarde. Het IPCC stelt CO2 voor de opwarming verantwoordelijk, maar analyse van eerdere ijsboringen op Antarctica wees er op dat in het verleden eerst de temperatuur steeg en dat pas enkele honderden jaren later de atmosferische CO2-concentratie toenam. Analyse van de nu verkregen boorkern zal hopelijk uitsluitsel geven over de relatie tussen de CO2-concentratie en temperatuurstijging. Dat is niet alleen wetenschappelijk van groot belang, maar heeft ook enorme economische consequenties (wel of geen maatregelen om de CO2-uitstoot te beperken; wel of geen milieuheffing op het gebruik van fossiele brandstoffen; wel of geen plannen om een stijgende zeespiegel het hoofd te bieden; etc.).

De boorlocatie was gekozen omdat het ijs ter plaatse naar verwachting een ononderbroken opeenvolging vormt, waardoor de klimaatveranderingen gedurende de laatste 100.000 jaar volledig kunnen worden gereconstrueerd. Door de vele sneeuwval ter plaatse bevat het ijs jaarlagen, die tot ongeveer 40.000 jaar geleden ook als zodanig kunnen worden herkend, en die ook kunnen worden geteld, waardoor een duidelijke chronologie kan worden vastgesteld. Oudere lagen zijn door het gewicht van het ijs inmiddels zo sterk samengeperst dat de afzonderlijke jaarlagen niet meer met voldoende zekerheid van elkaar kunnen worden onderscheiden; de onderzoekers denken echter de ouderdom van deze oudere ijslagen met een fout van niet meer dan 10 jaar te kunnen reconstrueren. Dat zou een voorheen ongekende nauwkeurigheid van de dateringen betekenen, en zo in hoge mate bijdragen aan het vaststellen van klimaatveranderingen op korte termijn.

De te onderzoeken ijskernen hebben een doorsnede van 13 cm. Ze bevatten niet alleen ijs waarvan de isotopenverhoudingen kunnen worden bepaald en luchtbelletjes waarvan de chemische samenstelling kan worden vastgesteld, maar ook stofdeeltjes die aanwijzingen kunnen geven over de omstandigheden destijds. De diverse analyses moeten inzicht geven in het verloop van de temperatuur van zowel de polaire atmosfeer als het zeewater, alsook in de veranderingen van het volume landijs gedurende de onderzochte 100.000 jaar. De analyses zullen door 27 Amerikaanse onderzoekers worden uitgevoerd.


Kuil in het ijs van westelijk Antarctica,
waarin stormlagen worden bestudeerd.

Referenties:
  • Anonymus, 2011. Ice cores yield rich history of climate change. DRI (Desert Research Institute) News & Communications, 2011-02-02, 3 blz.

Foto’s: Desert Research Institute, Nevada (Verenigde Staten van merika).

1149 De voorvader van Triceratops
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De gehoornde, vaak grote en zware ceratopsiden (zie o.a. Geonieuws 1027 en 1095) behoren tot de meest indrukwekkende vertegenwoordigers van de dinosauriërs. Met hun grote kraag (zie Geonieuws 1040) moeten deze dieren ook hun tijdgenoten hebben afgeschrikt. Het meest bekende geslacht is Triceratops (later ook beschreven als Torosaurus; zie Geonieuws 1044), waarvan volwassen exemplaren ruim 7000 kg zwaar konden worden.

Naast deze gigant heeft zich nu een nieuwe reus aangediend, Titanosaurus. Hij had een gewicht van ongeveer 6500 kg en alleen al zijn schedel was ongeveer 2,5 m lang. Hij leefde ongeveer 74 miljoen jaar geleden (Laat-Krijt) in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Het dier was echter geen tijdgenoot van Triceratops, maar een voorouder: het is de oudste vertegenwoordiger van zijn familie (de triceratopsiden), waarmee de oorsprong van die familie met meer dan 5 miljoen jaar verder naar het verleden is verschoven.


Titanoceratops (rechts)deed met zijn gewichtvan ca.6500 kg
weinig onder voor de 7000 kg zware Triceratops(tweede van rechts).

In feite is Titanosaurus een verloren schaap: zijn fossielen waren al bekend in de vorm van een gedeeltelijk skelet dat al in 1941 in de Amerikaanse staat New Mexico was gevonden. Er was destijds veel minder belangstelling voor dino’s dan nu, en het materiaal bleef onaangeroerd tot 1995, toen het werd schoongemaakt voor nadere studie. Daarbij werd het ten onrechte gedetermineerd als Pentaceratops, een geslacht waarvan ter plaatse redelijk veel materiaal werd gevonden. Het dier werd tentoongesteld in het Museum voor Natuurlijke Historie in Oklahoma, maar om het aantrekkelijker te maken voor de bezoekers, werd de niet bij de fossiele restanten aangetroffen grote kraag (die alle ceratopsiden kenmerkt) gereconstrueerd. En dat gebeurde uiteraard op basis van de vorm van de kraag van Pentaceratops.


De incorrect gereconstrueerde schedel
van Titanoceratops (links). Het
ontbrekende (verkeerd gereconstrueerde)
deel is grijs aangegeven (rechts).


Nu het onderzoek naar dino’s ‘hot’ is, werd ook dit museumexemplaar weer eens aan nadere studie onderworpen. Daarbij bleek het toch wel erg veel kenmerken te hebben die niet bij Pentaceratops passen. Het skelet was bijv. veel groter dan die van andere volwassen exemplaren van Pentaceratops, wat er op wees dat dit individue wel tweemaal zoveel moet hebben gewogen. Het skelet lijkt bovendien meer op dat van Triceratops, maar de kraag is dunner, de neus is langer en de hoorns iets groter: het gaat om een niet eerder beschreven soort, die op basis van zijn kenmerken moet worden beschouwd als de voorouder van Triceratops. Waarschijnlijk bestond Titanosaurus slechts kort (ongeveer een miljoen jaar); zijn familie zou hem nog 9 miljoen jaar overleven.

Referenties:
  • Longrich, N.R., 2011. Titanoceratops ouranous, a giant horned dinosaur from the Late Campanian of New Mexico. Cretaceous Research (in press). doi:10.1016/j.cretres.2010.12.007.

Illustraties: Yale University, New Haven, CT (Verenigde Staten van Amerika).

1150 Krekel bleef 100 miljoen jaar onveranderd
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De Schizodactylae, een groep grote krekelachtige dieren met Charley-Chaplin-achtige karakteristieken (wijd uit elkaar gezette platvoeten), zijn beruchte rovers (waarvan bij sommige soorten zelfs kannibalisme is vastgesteld). Ze zijn verwant aan de echte krekels en aan de sprinkhanen, en behoren tot de orde van de Orthoptera. Ze komen nu voor in zuidelijk Azië, Indochina en Afrika, waar ze wonen in aride of semi-aride gebieden die onder invloed staan van moessons.

Er is relatief weinig fossiel materiaal bekend van deze diergroep, maar de Cabo-Formatie, een kalksteenformatie in het noordoosten van Brazilië, heeft tal van zeer goed bewaard gebleven insecten opgeleverd. De ouderdom van de formatie is niet precies bekend, maar moet iets meer bedragen dan 100 miljoen jaar (Vroeg-Krijt).

Een van de fossielen die eerder uit de Cabo-Formatie werd beschreven, is een insect dat Brauckmanni groeningae werd gedoopt. Het werd geplaatst in een nieuwe familie, de Brauckmannidae. Van dit insect is nu een nieuw exemplaar gevonden, waarvan de kenmerken beter bewaard zijn gebleven. Daaruit blijkt dat er geen reden was om het eerder gevonden exemplaar als een nieuw geslacht te beschrijven (wel als een nieuwe soort), maar dat het gaat om een geslacht dat ook nog recente vertegenwoordigers heeft: Schizodactylus. Zowel het eerdere als het nu gevonden fossiele exemplaar moeten nu daarom als Schizodactylus groeningae door het leven gaan.


Het honderd miljoen jaar oude
fossiel van Schizodactylus groeningae.


Een recent exemplaar van
Schizodactylus monstrosus.


Een en ander zou niet zo bijzonder zijn (het blijkt wel vaker dat als nieuw beschreven soorten of geslachten verkeerd gedetermineerd zijn en dat de gegeven naam dus als een homoniem van de werkelijke naam moet worden beschouwd), maar in dit geval is er tussen de fossiele soort Schizodactylus groeningae en sommige recente soorten (zoals Schizodactylus monstrosus) zo weinig verschil dat het lijkt of de evolutie gedurende zeker 100 miljoen jaar heeft stilgestaan (dit wordt met de term ‘stasis’ aangeduid). Ook het fossiele exemplaar moet in een aride tot semi-aride milieu hebben geleefd; kennelijk heeft het geslacht Schizodactylus in dit milieu rustig kunnen voortbestaan zonder druk van buitenaf die tot evolutionaire aanpassingen leidde.

Referenties:
  • Heads, S.W. & Leuzinger, L., 2011. On the placement of the Cretaceous orthopteran Brauckmannia groeningae from Brazil, with notes on the relationships of Schizodactylidae (Orthoptera, Ensifera). ZooKeys 77, p. 17–30.

Foto van het fossiel (Hwaja Goetz): University of Illinois, Urbana-Champain, IL (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl