NGV-Geonieuws 182

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Augustus 2011, jaargang 13 nr. 8

Redactie: dr. W.M.L.(Willem) Schuurman

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 1201 Augustus dino maand (1); Dino’s waren actieve dieren
  • 1202 Augustus dino maand (2): De ‘laatste’ Amerikaanse dino
  • 1203 Augustus dino maand (3): Daemonosaurus, een ‘missing link’
  • 1204 Augustus dino maand (4): Linhenykus, de eerste éénvingerige dino
  • 1205 Augustus dino maand (5): Eodromaeus, uit de dageraad van de dino’s
  • 1206 Augustus dino maand (6): Gebroken dino-ei vormde vroegtijdige voedselbank
  • 1207 Augustus dino maand (7): Baryonyx maakte ook Australië onveilig
  • 1208 Augustus dino maand (8): Dino Xiaotingia velt mogelijk de status van Archaeopteryx als oudste vogel
  • 1209 Augustus dino maand (9): Acristavus, een ‘onversierde’ hadrosauriër
  • 1210 Augustus dino maand (10): Dino’s op de Zuidpool

    << Vorige uitgave: 181 | Volgende uitgave: 183 >>

1201 Augustus dino maand (1); Dino’s waren actieve dieren
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Dino’s en andere sauriërs blijken altijd op veel belangstelling te kunnen rekenen, ook bij de lezers van Geonieuws. Daarom wil ik de maand augustus maar eens helemaal aan dino’s wijden. Geïnteresseerde lezers zullen die bijdragen zeker opzoeken, en wie er niet erg in geïnteresseerd is en op vakantie gaat, mist niet veel.

Deze eerste bijdrage gaat over de veel bediscussieerde vraag of dino’s warmbloedige, actieve dieren waren, of dat het - zoals tot voor enkele jaren vrijwel algemeen werd aangenomen - wat slome, koudbloedige dieren waren. Het ziet er steeds meer naar uit dat het warmbloedige dieren waren en daarvoor zijn nu weer nieuwe aanwijzingen gevonden. Het gaat daarbij om ‘gaatjes’ in sommige dinobotten.

De dijbenen van mensen en veel andere hogere diergroepen bevatten namelijk aan de binnenkant kleine gaatjes die dienen om bloed naar de levende cellen in die botten te transporteren. Dat bloed is gewoonlijk afkomstig van een enkele slagader. De grootte van die gaatjes is gerelateerd aan de maximale inspanning die iemand kan leveren bij fysieke inspanning. Hoe groter de gaatjes, hoe meer bloed - en daarmee ook hoe meer zuurstof - erdoor aan de cellen geleverd kan worden. Dat is van belang omdat de cellen in de botten veel zuurstof verbruiken bij hun activiteiten.

Professor Seymour van de Universiteit van Adelaide vroeg zich af of de grootte van de gaatjes ook een aanwijzing vormde voor de hoeveelheid bloed die nodig was om de botten in goede staat te houden. Het ligt immers voor de hand dat zeer actieve dieren gemakkelijk meer ‘minibreukjes’ in het bot krijgen dan dieren die weinig actief zijn. Dat vereist meer reparatie-activiteiten en dus ook meer aanvoer van zuurstofrijk bloed. Om dat na te gaan maten hij en zijn mede-onderzoekers de grootte van de gaatjes bij tal van recente zoogdieren en reptielen, van muizen tot olifanten, en van hagedissen tot krokodillen. Ook stelden ze voor al deze dieren vast hoe actief ze relatief ten opzichte van elkaar waren. Het resultaat was zonder meer duidelijk: er bestaat een ondubbelzinnig verband tussen de grootte van de gaatjes en de mate van actief gedrag.


Het dijbeen van Centrosaurus apertus
met daaronder een detail van het bot met
een van de ‘gaatjes’ (foto Donald Henderson).


Relatie tussen lichaamsgrootte en
bloedtoevoer (tekening Roger Seymour)


Gewapend met die kennis werden vervolgens de botten van tien dinosoorten onderzocht. De dino’s behoorden tot vijf verschillende taxa en omvatten zowel op twee als op vier poten lopende soorten (vleeseters en herbivoren), waarvan de veronderstelde gewichten uiteenliepen van ca. 50 tot ca. 20.000 kg. Het bleek, uiteraard rekening houdend met de grootte van de dieren, dat alle dino’s in hun dijbenen gaatjes vertoonden die groter waren dan die van even grote zoogdieren. Dat sluit precies aan bij de recente bevinding (zie Geonieuws 1194) dat de lichaamstemperatuur van dino’s hoger was dan die van zoogdieren. Volgens Professor Seymour kan daaruit worden afgeleid dat alle groepen dino’s zeer actief waren, en dat het zeer waarschijnlijk, ook warmbloedige dieren waren.


Onderzoeksleider Roger Seymour.

Referenties:
  • Seymour, R.S., Smith, S.L., White, C.R., Henderson, D.M. & Schwarz-Wings, D., 2011. Blood flow to long bones indicates activity metabolism in mammals, reptiles and dinosaurs. Proceedings of the Royal Society B, doi:1098/rspb.2011.0968.

Foto’s: University of Adelaide, SA (Australië).

1202 Augustus dino maand (2): De ‘laatste’ Amerikaanse dino
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

In het algemeen wordt aangenomen dat de dinosauriërs (met uitsluiting van de vogels, die taxonomisch ook tot de dinosauriërs worden gerekend!) uitstierven op de K/T-grens, als direct of indirect gevolg van de inslag van een groot hemellichaam. Dat moment van uitsterven is overigens niet helemaal onomstreden, omdat er ook fossiele resten van dino’s zijn gevonden in het Paleoceen (zie Geonieuws 241 en 1153), maar de dateringen van die vondsten zijn op hun beurt ook weer omstreden. Of er nog dino’s na de K/T-grens leefden, blijft voorlopig dan ook nog een punt van discussie.

Het is, merkwaardig genoeg, echter ook nog steeds een punt van discussie of de dino’s op het moment van de inslag op de K/T-grens nog steeds op aarde rondliepen. Vooral in de Verenigde Staten bestaat daar twijfel over, omdat er nooit dino-resten waren gevonden in de bovenste meters van het Krijt. Men spreekt daar zelfs van het ‘3-m hiaat’. Nu is echter dat 3-m hiaat een stuk dunner geworden, want onderzoekers hebben de hoorn van een ceratopside dino (Triceratops of een daarmee nauw verwante soort) ontdekt in de Hells Creek Formatie, iets meer dan een decimeter onder de K/T-grens. Dat gebeurde in de staat Montana in een gebied waar veel ceratopside fossielen (maar ook andere dino’s zoals hadrosauriërs, Tyrannosaurus rex en Torosaurus - mogelijk overigens een synoniem voor Triceratops, zie Geonieuws 1044) - worden gevonden.


Een Triceratops of daarmee nauw
verwante soort stierf in een modderige
kustvlakte, kort voor de K/T-grens.

De ouderdom van de laag waarin de hoorn is gevonden kan niet radiometrisch of anderszins worden bepaald, maar de onderzoekers schatten dat hij enkele duizenden tot enkele tienduizenden jaren voor de K/T-grens ontstond. Geologisch gezien is dat al bijna op de K/T-grens, en de kans dat er in de decimeter boven deze vondst nog meer dino-fossielen worden aangetroffen is natuurlijk betrekkelijk klein. In ieder geval betekent het dat het 3-m hiaat nu is ingekort tot een 1-decimeter hiaat, en dat nu ook uit Amerika dinoresten bekend zijn van (bijna) de K/T-grens. Daarmee is dan toch aan één van de twee discussiepunten ten aanzien van het uitsterven van de dino’s een (voorlopig?) einde gekomen. En ook vervalt zo de waarschijnlijkheid van de wel geopperde hypothese dat de dino’s geleidelijk zouden zijn uitgestorven.

De vondst werd gedaan in de modderige sedimenten van een riviervlakte. Dat sluit volgens de onderzoekers uit dat het gaat om ouder materiaal dat is ingespoeld door een sterke rivierstroom. Zo’n opmerking roept echter wel weer vragen op: als er sprake was van een dino die ter plaatse overleed (misschien doordat hij zich niet meer uit de modder kon bevrijden), waar zijn dan zijn andere overblijfselen gebleven? Als er geen sterke stroming was, kunnen de botten toch niet zijn weggespoeld? Natuurlijk kan het karkas zijn aangevreten door aaseters, maar het zou toch wel erg toevallig zijn als alleen een hoorn zou zijn achtergebleven.


Onderzoeker Stephen Chester.


Onderzoeksleider Tyler Lyson.


Referenties:
  • Lyson, T.R., Bercovici, A., Chester, S.G.B., Sargis, E.J., Pearson, D. & Joyce, W.G., 2011. Dinosaur extinction: closing the ‘3 m gap’. Biology Letters, doi:10.1098/rsbl.2011.0470.

Illustraties: Yale University, New Haven, CN (Verenigde Staten van Amerika).

1203 Augustus dino maand (3): Daemonosaurus, een ‘missing link’
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De oudst bekende dino’s liepen op hun achterpoten. Ze leefden ongeveer 230 miljoen jaar geleden (Laat-Trias) in het gebied dat nu door Argentinië en Brazilië wordt ingenomen, en het waren vleeseters, zoals Herrerasaurus. De plaats van deze vroege dino’s in de evolutie is altijd problematisch geweest, omdat er geen restanten van dino’s bekend zijn uit de periode van enkele tientallen miljoenen jaren die op deze vroege vondsten volgt. Nu zijn echter in de Amerikaanse staat New Mexico restanten gevonden van een dino die een deel van dit hiaat opvult. Het gaat om Daemonosaurus chauliodus, die ongeveer 205 miljoen jaar geleden leefde (einde van het Trias) en die, in tegenstelling tot zijn vroege voorgangers, op vier poten liep. Zijn geslachtsnaam ontleent hij aan de vindplaats, Ghost Ranch (het Griekse woord ‘daimon’ betekent ‘duivel’ of ‘duivelse geest’, terwijl ‘saurus’ ‘reptiel’ of ‘hagedis’ betekent. De soortnaam refereert aan zijn schuin naar voren gerichte tanden.


Reconstructie van de kop van
Daemonosaurus chauliodus.


De fossiele schedel in het Carnegie
Museum of Natural History.


De vondst bestaat uit een schedel en enkele nekwervels. De schedel is zo’n 13 cm lang; hij is smal en hoog, en bevat relatief grote oogkassen. Een dergelijke schedel is zeer uitzonderlijk bij dino’s. De bovenkaak heeft monsterachtig grote, naar voren gerichte tanden, wat erop wijst dat het een schrikwekkende vleeseter was (met de grootte van een Duitse herder); dat was niet verwacht van dino’s uit deze relatief vroege fase van hun evolutionaire ontwikkeling. In feite werd tot nu toe gedacht dat de groep waartoe de vroegst bekende dino’s behoorden was uitgestorven, en dat daarnaast een andere (primitieve) groep moest hebben bestaan waaruit de ‘normale’ (neotherapode) dino’s zijn voortgekomen. Daemonosaurus blijkt echter een tussenvorm te vertegenwoordigen: de schedel en de nekwervels wijzen op een evolutiestadium tussen dat van zijn Zuid-Amerikaanse voorgangers en de (veel beter bekende) latere therapode dino’s. Deze ‘missing link’ wijst er dus op dat de latere dino’s toch uit de oudere groep zijn voortgekomen. Een van de kenmerken die hier ook op wijst bestaat uit holtes in sommige nekwervels die verband houden met zijn ademhalingssysteem.

Daemonosaurus is niet alleen van belang omdat hij een evolutionaire schakel tussen de oude therapoden en en neotherapode dino’s vertegenwoordigt, maar ook omdat de vondst aangeeft dat de dino’s zich in het Trias niet beperkten tot Zuid-Amerika, maar ook elders voorkwamen.


Daemonosaurus had de grootte
van een flinke hond.

Referenties:
  • Sues, H.-D., Nesbitt, S.J., Berman, D.S. & Henrici, A.C., 2011. A late surviving basal theropod dinosaur from the latest Triassic of North America. Proceedings of the Royal Society B, doi:10.1098/rspb.2011.0410.

Illustraties: Smithsonian Institution, Washington, DC (Verenigde Staten van Amerika).

1204 Augustus dino maand (4): Linhenykus, de eerste éénvingerige dino
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Hij was niet groot en ook bepaald niet schrikaanjagend, maar het was wel een theropode dino, dat wil zeggen dat het een op twee poten lopende vleeseter was. En paleontologen spreken van een belangwekkende vondst, want Linhenykus monodactylus vertegenwoordigt een éénvingerige dinosaurus; dergelijke dino’s waren tot nu toe niet bekend. Wel waren veel theropode dino’s bekend met één sterk ontwikkelde vinger (mogelijk voor het uitgraven van prooi of van termieten) en twee slecht ontwikkelde vingers (de familie van de Alvarezsauroidea, kleine, langpotige dino’s waartoe ook Linhenykus wordt gerekend). Maar de meeste dino’s hadden aan iedere poot drie goed ontwikkelde klauwen, en men kent sinds enige tijd zelfs ook de merkwaardige Balaur bondoc, een dino met dubbele klauwen (zie Geonieuws 1082), maar Linhenykus (zo genoemd naar zijn vindplaats nabij Linhe in Mongolië) lijkt wel erg slecht bedeeld te zijn geweest.


De schedel van Linhenykus.


Diverse van de opgegraven botten.


Helemaal verdwenen zijn de overige vingers van Linhenykus, die ongeveer 60 cm groot was, overigens niet: er is nog een rudimentair kootje van een tweede vinger, maar dat kan geen functie meer hebben gehad. Het lijkt een eindfase te vertegenwoordigen van een trend die al veel langer aan de gang was, want de theropode dino’s startten met vijf vingers aan elke poot; in de loop van de evolutie werden dat er drie (Tyrannosasurus rex was een uitzondering, met twee vingers), bij de alvaerzsauroïden waren twee daarvan veel minder ontwikkeld, om tenslotte bij Linhenykus te eindigen met een vinger en één rudimentair kootje van een tweede vinger.

Linhenykus leefde ongeveer 84-75 miljoen jaar geleden (Laat-Krijt). Zijn naaste verwanten (de al genoemde alverezsauroïden) waren al bekend uit Azië, maar ook uit Noord- en Zuid-Amerika. Van die laatste twee continenten zijn ze bekend Van Laat-Jura tot Laat-Krijt. Voor Azië is dit de eerste vondst uit het Laat-Krijt. De alvarezsauroïden konden zich, net als overigens de andere dieren uit die tijd, gemakkelijk over veel van de huidige continenten verspreiden, omdat die toen het grote supercontinent Pangea vormden. Waarschijnlijk ontstonden de alvarezsauroïden in Azië en verspreidden ze zich van daaruit.


Het skelet van Linhenykus.


Reconstructie van Linhenykus monodactylus.


De ontwikkeling van handen met vingers, en de eventuele latere - al dan niet gedeeltelijke - verdwijning daarvan, is overigens een verschijnsel dat veelvuldig in de evolutie wordt aangetroffen (vgl. walvissen en slangen). Volgens een van de onderzoekers, Jonah Choiniere van het Natuurhistorisch Museum in New York, lijkt het latere geheel of gedeeltelijk verdwijnen van vingers min of meer toeval te zijn. Dat zou te maken kunnen hebben met het feit dat het behouden van vingers kennelijk evolutionair weinig negatieve gevolgen heeft, zodat ze vaak ook bewaard blijven ook als ze niet langer echt nodig zijn. Maar soms verdwijnen ze dus toch, zoals bij Linhenykus....


Het fossiel werd gevonden nabij Linhe in Binnen-Mongolië.

Referenties:
  • Xu, X., Sullivan, C., Pittman, M., Choiniere, J.N., Hone, D., Upchurch, P., Tan, Q., Xiao, D., Tan, L. & Han, F., 2011. A monodactyl nonavian dinosaur and the complex evolution of the alvarezsauroid hand. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States 108, 2338 2342.

Illustratie reconstructie: Julius T. Csotonyi.

1205 Augustus dino maand (5): Eodromaeus, uit de dageraad van de dino’s
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Een van de vroegste dino’s die is aangetroffen dateert van ongeveer 230 miljoen jaar geleden, ongeveer de grens van Midden- en Laat-Trias. Twee vrijwel complete skeletten werden, zij aan zij, aangetroffen in de ‘Maanvallei’, een verlaten, desolaat gebied aan de voet van de Andes in wat nu Argentinië is. Destijds was het echter een soort lusthof, met weelderige bossen, waarin talrijke groepen reptielen (deels met papegaai-achtige bekken) , proto-zoogdieren en krokodil-achtige dieren leefden.

Uit de skeletten valt op te maken dat de dieren van neus tot einde staart ongeveer 1,3 m lang waren en een lange nek hadden, maar slechts zo’n 5-7 kg moeten hebben gewogen. Het moeten dus ‘magere’ diertjes zijn geweest. Uit de skeletten valt ook op te maken dat ze zeer snel op hun achterpoten konden rennen. Op basis van dit voorkomen tijdens de dageraad van de dino-heerschappij, en vanwege het vermogen om hard te rennen is het dier Eodromaeus gedoopt (renner van de dageraad). Rennen vereist veel energie, en dus een goede ademhaling. Wellicht daarmee verband houdt het voorkomen in zijn nek van een soort luchtzakken.


Replica van de schedel van Eodromaeus.


Een op basis van de vondsten gereconstrueerd skelet.


Het dier had zeer scherpe tanden en goed ontwikkelde klauwen, waaruit blijkt dat het een jager moet zijn geweest. Als op zijn twee achterpoten lopende vleeseter behoorde hij tot de therapode dino’s, een groep die later, zeker tegen het einde van het dino-tijdperk, schrikwekkende soorten zou omvatten zoals Tyrannosaurus rex. Eodromaeus moet worden beschouwd als een van de eerste vertegenwoordigers van deze groep. Hij vertoont overigens nog enige gelijkenis met Eoraptor, een dino met wie hij gelijktijdig leefde, maar die, naar de meest recente inzichten, behoort tot de groep van sauropode dino’s waaruit later de kolossale dino’s met een lange nek voortkwamen (zoals Apatosaurus en Titanosaurus). Eodromaeus en Eoraptor hebben waarschijnlijk een gezamenlijke voorouder gehad die zo’n 10 miljoen jaar eerder leefde en die waarschijnlijk omnivoor was. Deze twee geslachten vormen nu de oudste vertegenwoordigers van de twee belangrijkste takken van de dino’s, die zich dus relatief kort daarvoor van elkaar hadden afgescheiden.


Reconstructie van Eodromaeus(door Tod Marshall).


Reconstructie van de kop van Eodromaeus.


Welke dieren de prooi van Eodromaeus vormden kan niet worden vastgesteld, maar de lagen waarin hij voorkomt (een pakket van ongeveer 700 m dik, afgezet in een rift valley in het zuidwesten van Pangea) bevat talloze skeletten van potentiële prooidieren. De reptielen waren destijds nog veel talrijker dan de dino’s; zij zullen daarom wel het hoofdvoedsel hebben gevormd, hoewel de onderzoekers het ook mogelijk achten dat hij zich aan de jongen van andere dino’s vergreep.


Mede-onderzoeker Paul Sereno met
een gereconstrueerd skelet.

Referenties:
  • Martinez, R.N., Sereno, P.C., Alcober, O.A., Colombi, C.E., Renne, P.R., Montañez, I.P. & Currie, B.S., 2011. A basal dinosaur from the dawn of the dinosaur era in southwestern Pangaea. Science 331, p. 206 210.

Illustraties: The University of Chicago, IL (Verenigde Staten van Amerika) (foto’s en reconstructie kop Mike Hettwer).

1206 Augustus dino maand (6): Gebroken dino-ei vormde vroegtijdige voedselbank
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De ca. 70 miljoen jaar oude (Laat-Krijt) Allen-Formatie in Patagonië (Argentinië) is al decennia lang bekend vanwege het voorkomen van nesten met dino-eieren, gewoonlijk afkomstig van sauropoden (de groep waartoe destijds de zeer grote, herbivore dino’s met een lange nek behoorden). Sommige van die eieren bevatten zelfs embryo’s (zie Geonieuws 161).

Maar deze eieren blijken nog meer interessante dingen te herbergen. Zo werd pas onlangs vastgesteld dat in een al voor zijn fossilisatie gebroken ei uit een dino nest acht merkwaardige structuren aanwezig zijn. Ze hebben de vorm van een worstje en zijn 2-3 cm lang en ca. 1 cm in doorsnede. Die vorm deed denken aan fossiele cocons van insecten, en ook aan de cocons van sommige recente wespensoorten. Genoeg reden dus voor verder onderzoek.


Nest met vijf dino-eieren op de fossiele
bodem in de Allen-Formatie.De pijl geeft
het ei met de cocons aan (schaalstreep 2 cm).


Het ei met 8 cocons in bovenaanzicht (A)en in zij-aanzicht (B) (schaalstreep 5 cm).


Fossiele cocons zijn weliswaar niet uiterst zeldzaam, en dino-eieren zijn zelfs vrij algemeen (en ook voor een zacht prijsje te koop), maar een combinatie van cocons en dino-eieren was tot nu toe onbekend; sterker nog: nooit eerder waren de (fossiele) cocons van insecten in of bij een fossiel ei aangetroffen. Maar het onderzoek liet er geen twijfel over bestaan: het ging inderdaad om de cocons van wespen. Dat houdt in dat wespen gedurende het Laat-Krijt waarschijnlijk al deel uitmaakten van een voedselketen die in eerste instantie vooral bestond uit aasetende insecten, waarvoor rottende eieren de belangrijkste voedselbron vormden. Tot die voedselketen behoorden ongetwijfeld ook spinnen, kevers en andere insecten.
Het is bekend (zoals ook blijkt uit de talloze films waarin onderzoek naar een doodsoorzaak - en vooral het tijdstip van overlijden - wordt gedaan) dat de groep van dieren die zich aan dode dieren (of mensen of eieren) tegoed doen, met verloop van tijd in samenstelling verandert. Een soortgelijke analyse van de ‘misdaad met het dino-ei’ geeft aan dat het dino-ei met kracht moet zijn gebroken, en dat de zo ontwikkelde scheuren de aaseters toegang gaven tot de inhoud van het ei. Met die aaseters liep het overigens ook niet altijd goed af, want na verloop van tijd moet deze ‘voedselbank’ andere dieren hebben aangetrokken die zich juist met de aaseters voedden. De wespen waarvan de cocons nu gevonden zijn, vormden de top van de voedselketen, en hebben zich mogelijk gevoed met de insecten en spinnen die zich eerder tegoed hadden gedaan aan de aaseters die op het rottende ei waren afgekomen.


Detail van de buitenkant van een
van de cocons (A; schaalstreep 1 cm)
en in doorsnede (B); schaalstreep 0,1 mm)


Recente cocons (ter vergelijking) van
een wesp (linksboven), een kever
(rechtsboven en linksmidden) en een
mot (rechtsmidden)Ook: cocons in een mierennest
(linksonder) en een cocon met een gerimpelde
buitenkant (rechtsonder).


Referenties:
  • Genise, J.F. & Sarzetti, L.C., 2011. Fossil cocoons associated with a dinosaur egg from Patagonia, Argentina. Palaeontology 54, p. 815–823.

Foto’s (uit het aangehaalde artikel): Wiley-Blackwell.

1207 Augustus dino maand (7): Baryonyx maakte ook Australië onveilig
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers !

Hoewel er zeer veel nieuwe vondsten van dino’s in de vakliteratuur worden vermeld, gaat het slechts in weinig gevallen om vondsten die aangeven dat de geografische verbreiding van een soort of geslacht veel groter was dan eerder bekend. Een van die recente vondsten betreft een dino-nekwervel (van 42 mm groot) die onlangs in Australië werd gedaan. De wervel vertoont grote gelijkenis met die van een in 1983 in Engeland gevonden exemplaar van Baryonyx walkeri. Dat ging om een vrijwel compleet skelet dat nu in het Londense Museum voor Natuurlijke Historie verblijft. Op basis van de grote gelijkenis tussen de twee wervels menen deskundigen dat het om wervels van dezelfde dinosoort moet gaan.


Het skelet van Baryonyx walkeri
in het Natural History Museum te Londen (
foto en:user:ballista).


Een van de klauwen van Baryonyx,
die ruim 30 cm lang konden worden.

Zowel het Londense als het Australische exemplaar stamt uit het Vroeg-Krijt (145 -95 miljoen jaar). Dat verklaart mogelijk de verspreiding van Baryonyx over thans ver uiteengelegen gebieden, want pas in het Vroeg-Krijt begon het supercontinent Pangea op te breken. Vóór die opsplitsing konden dieren zich dus gemakkelijk over een enorm gebied verspreiden. Daarvoor hadden ze miljoenen jaren de tijd. Toch komen de tot nu toe gevonden soorten vrijwel altijd op de noordelijke continenten voor (onder meer de tyrannosauriërs en de dromaeosauriërs zoals Velociraptor; pas in 2010 werd de eerste Tyrannosaurus op een zuidelijk continent gevonden - ook weer in Australië, hoewel dat continent slechts weinig vindplaatsen van dino’s heeft). Daarom is dan ook de vondst in Australië van de wervel van wat waarschijnlijk een jonge Baryonyx zo belangrijk.


Reconstructie van Baryonyx.


Reconstructie van de krokodil-achtige
kop van Baryonyx.


Mogelijk is het beeld van bepaalde dino-groepen in het noorden en andere dino-groepen in het zuiden ontstaan doordat er betrekkelijk weinig vindplaatsen zijn waar veel dinorestanten vandaan komen. Dat betekent dat ze ook uit relatief weinig verschillende milieus komen, en daarom slechts een gefragmenteerd beeld geven van de in het noorden en zuiden voorkomende verscheidenheid. Het is echter ook mogelijk dat sommige groepen dino’s zich pas ontwikkelden nadat Pangea gesplitst was, waardoor het verspreidingsgebied van de nieuwe groepen wel beperkt moest blijven. Pangea splitste zich immers in eerste instantie op in twee grote landmassa’s die ook als supercontinenten mogen worden beschouwd: Laurazië in het noorden en Gondwanaland in het zuiden. Als derde mogelijkheid moet ook worden vastgesteld dat veel dino-restanten bestaan uit slechts zeer fragmentarisch materiaal (soms slechts enkele botten of - zoals in het hier besproken geval van de Australische Baryonyx - slechts één wervel), wat gemakkelijk tot onjuiste taxonomische interpretaties kan leiden.

Hoe dat ook zij, de vondst van de Australische wervel helpt mee om een tipje van de sluier die nog steeds hangt over de verspreiding van dino’s over de aardbol op te lichten. En Baryonyx is dan ook gelijk een dino die de aandacht trekt, want hij was zo’n 10 m lang en hij dankt zijn naam (die letterlijk ‘zware klauw’ betekent) aan zijn enorme klauwen, die meer dan 30 cm lang konden worden. Toch was dat niet zijn opvallendste eigenschap: dat was het uiterlijk van zijn kop, die veel moet hebben weggehad van een krokodil. Op basis van deze eigenschappen wordt verondersteld dat Baryonyx (een geslacht waarvan Baryonyx walkeri het holotype vertegenwoordigt) een dino was die vooral in het water leefde en jaagde, waarschijnlijk vooral op vis.


Artist impression van Baryonyx
in zijn leefmilieu.

Referenties:
  • Barrett, P.M., Benson, R.B.J., Rich, Th.H. & Vickers Rich, P., 2011. First spinosaurid dinosaur from Australia and the cosmopolitanism of Cretaceous dinosaur faunas. Biology Letters, doi:10.1098/rsbl.2011.0466.

Reconstructie: Natural History Museum, Londen (Groot-Brittannië).

1208 Augustus dino maand (8): Dino Xiaotingia velt mogelijk de status van Archaeopteryx als oudste vogel
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Archaeopteryx geldt algemeen als de ‘oervogel’: de eerste echte vogel die zich als een aparte tak van de dino’s afscheidde (in feite worden vogels overigens tegenwoordig tot de dinosauriërs gerekend; men spreekt in het Engels daarom wel van ‘non-avian dinosaurs’ - niet-vogel dinosauriërs - als men de ‘echte’ dino’s bedoelt). Iedere afsplitsing, of het nu een nieuwe soort betreft of een fylum, berust op een relatief geringe mutatie. De grens tussen de ‘moedergroep’ en de afgesplitste groep is daarom altijd geleidelijk, en het is een min of meer arbitraire keuze waar de grens wordt gelegd. Zo is dat ook bij de afsplitsing van de vogels van de gevederde dino’s.

Omdat de natuur weinig geneigd is om onze classificatie van allerlei natuurlijke fenomenen in afzonderlijke hokjes te volgen, zijn er de laatste jaren steeds meer computerprogramma’s ontwikkeld waarbij dergelijke grenzen schijnbaar (met de nadruk op schijnbaar) objectief kunnen worden vastgelegd. Er bestaat ook een dergelijk programma voor de overgang tussen dino’s en vogels. Van de afzonderlijke soorten zijn de vereiste kenmerken – en de mate van verschillen daartussen - als input in het programma ingevoerd. Het programma ‘rekent’ op basis daarvan voor elke soort uit of het een dino of een vogel is. De uitkomst van dat programma was ook steeds dat Archaeopteryx de eerste vogel was.


Het fossiel van Xiaotingia zhengi (holotype).


Het gereconstrueerde skelet van Xiaotingia.


Er is nu echter een nieuw fossiel ontdekt dat veel met Archaeopteryx gemeen heeft. Deze nieuwe soort, die Xiaotingia zhengi is gedoopt, is onlangs ontdekt, uiteraard in China. Dit dier wordt door de onderzoekers, op basis van zijn kenmerken - maar vooral op basis van die in het computerprogramma ingevoerde kenmerken - niet tot de vogels gerekend maar tot deinonychosauriërs (een groep kleine, vleesetende dino’s waartoe o.a. Deinonychus en Velociraptor behoren). Tot zover nauwelijks schokkend. Maar toen Xiaotingia in het programma was ingevoerd, en de vraag werd gesteld waar de grens tussen dino’s en vogels lag, bleek dat het computerprogramma - en daarin zijn alleen objectief vast te stellen kenmerken ingevoerd - Archaeopteryx net als Xiaotingia indeelde bij de deinonychosauriërs! Dat was geen ongelukje, want toen de kenmerken van Xiaotingia ter controle uit het programma werden verwijderd, was de uitkomst weer dat Archaeopteryx de oudste vogel was. Met Xiaotingia in het programma zou Epidexipteryx of Epidendrosaurus als oudste vogel uit de bus komen.

Helemaal als een verrassing komt deze ‘aanval’ op Archaeopteryx als oervogel niet: al eerder hebben diverse onderzoekers erop gewezen dat Archaeopteryx wel erg veel kenmerken van de deinonychosauriërs vertoont, zoals het duidelijke heupbeen en de holte boven de neus (kenmerken die vogels missen). Wel als een verrassing komt uiteraard dat het een dino is die zo aan de poten van de (tot nu toe) oervogel zaagt.

De aanstichter van het rumoer, Xiaotingia zhengi, leek overigens zelf ook al veel op een vogel. Hij had de grootte van een duif. Was het dan toch een vogel? Gerald Mayr, een Duitse specialist in fossiele vogels, denkt van wel en helt zelfs over naar de mening dat alle deinonychosauriërs al tot de vogels zouden moeten worden gerekend. Opnieuw bewijst de natuur dus weinig op te hebben met de afgebakende hokjes die nu eenmaal onvermijdelijk verbonden zijn aan de classificatiesystemen die zo geliefd zijn bij wetenschappers die graag een overzichtelijk beeld hebben van hun studie-object.


Reconstructie (door Xing Lia en Liu Yi)
van Xiaotingia zhengi.


Een van de 11 bekende fossielen van
Archaeopteryx (photo G. Mayr, Senckenberg).


Referenties:
  • Xu, X., You, H., Du, K. & Han, F., 2011. An Archaeopteryx like theropod from China and the origin of Avialae. Nature 475, p. 465–470.

Illustraties: Cosmic Log.

1209 Augustus dino maand (9): Acristavus, een ‘onversierde’ hadrosauriër
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Tot de sterk tot de verbeelding sprekende dino’s behoren de hadrosauriërs, vanwege de vaak bijzondere ‘versieringen’, onder meer in de vorm van een zogeheten schedelkam. Tot nu toe was er slechts één geslacht bekend (Edmontosaurus) die niet over zo’n kam beschikt. Nu is er echter een tweede geslacht bijgekomen: Acristavus. En deze vondst - of beter: deze vondsten, want er werden binnen één jaar merkwaardig genoeg twee exemplaren van dezelfde soort (Acristavus gagslarsoni) gevonden, en dat ook nog op een onderlinge afstand van ca. 1000 km - werpt een nieuw licht op de ontwikkeling van de merkwaardige schedelkam en andere ‘versieringen’.


bij inpakken:Rebecca Hanna en vrijwilligers
pakken het fossiel van Acristavus
in voor transport.


Mede-auteur Rebecca Hanna brengt de botten
van Acristavus in kaart terwijl
vrijwilligers verder gaan met de opgraving.


Het ene exemplaar werd gevonden in de Two Medicine Formatie in de Amerikaanse staat Montana, terwijl het tweede exemplaar werd aangetroffen in de Wahweap Formatie in Utah. Beide exemplaren zijn ruwweg 80 miljoen jaar oud (Campanien). Het in Montana opgegraven exemplaar geldt als holotype. Het skelet is incompleet, maar omvat de vrijwel complete schedel, talrijke halswervels, drie rugwervels, een staartwervel, ribben, een opperarmbeen, een ellepijp, een deel van het borstbeen, het linkerschaambeen, een linkerachterpoot met een gedeeltelijke voet, en een kootje uit de rechtervoet. Het tweede exemplaar is eveneens incompleet, maar omvat onder meer de schedel. De schedels zijn lang, laag, en hebben een rechthoekige vorm. De voor hadrosauriërs karakteristieke snuit is stomp en draagt een grote ‘bovensnavel’ met hoge neusgaten. De onderkaak is ook zeer stomp.

Hadrosauriërs verschillen van hun directe en oudere voorgangers (de iguanodonten) vanwege de talrijke ‘versieringen’ op hun schedel; die bestaan bijv. uit ‘zeilen’, kammen en rijen hoorns. Dat die bij Edmontosaurus ontbreken, schrijven de onderzoekers toe aan het weer verloren gaan van die ‘versieringen’ in de loop van de evolutie. Bij Acristavus ligt dat anders: dat was een vroege vertegenwoordiger van deze groep (het is de oudste hadrosauriër die in de Verenigde Staten is aangetroffen; de naam Acristavus betekent letterlijk ‘grootvader zonder kam’), en hij zou een evolutionaire fase vertegenwoordigen waarin de ‘versieringen’ op de kop nog niet ontwikkeld zijn.

De ‘versieringen’ van de hadrosauriërs waren soms hol, soms massief. Volgens deskundigen zouden de holle versieringen een rol hebben gespeeld bij de ademhaling. Beide typen versieringen zouden mogelijk onafhankelijk van elkaar kunnen zijn ontwikkeld vanuit voorouders zoals Acristavus die geen ‘versieringen’ hadden.

De merkwaardige soortnaam van de nieuwe hadrosauriër (gagslarsoni) heeft een geschiedenis. Het holotype werd namelijk gevonden op land dat destijds eigendom was van de inmiddels overleden Russel Ellsworth ‘Gags’ Larson. Zijn kinderen gaven het exemplaar aan het Museum of the Rockies in Bozeman (ook in de staat Montana). Bij wijze van dank voor hun gulle gift en de verleende medewerking werd de soort vernoemd naar de oorspronkelijke eigenaar.

Referenties:
  • Gates, T.A., Horner, J.R., Hanna, R.R. & Nelson, R., 2011. New unadorned hadrosaurine hadrosaurid (Dinosauria, Ornithopodia) from the Campanian of North America. Journal of Vertebrate Paleontology 31, p. 798-811.

Foto’s (Rebecca Hanna) welwillend ter beschikking gesteld door Terry Gates, Field Museum of Natural History, Chicago, IL (Verenigde Staten van Amerika).

1210 Augustus dino maand (10): Dino’s op de Zuidpool
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Dino’s kwamen in hun bloeitijd over de hele aarde voor, ook op de polen. Zo leefden er in het Albien (de jongste etage van het Vroeg-Krijt) binnen de poolcirkel van de toenmalige zuidpool diverse soorten dino’s. Dat is op zich niet verwonderlijk, want de geografische zuidpool (die destijds werd ingenomen door wat nu de Australische staat Victoria is) had een alleszins behoorlijk klimaat. Een groep van meer dan 20 sporen langs de kust van Victoria in het Otways National Park) vormt zelfs de grootste verzameling van dinosporen die ooit op het zuidelijk halfrond zijn aangetroffen. Het gaat om dino’s met drie tenen, allemaal theropoden (op hun achterpoten lopende vleeseters), van verschillende afmetingen. De kleinste moet het formaat hebben gehad van een kip, de grootste die van een reiger.


Blok met dinosporen uit de Eumeralla Formatie.


Uitvergroting van de pootafdruk van
het in de andere foto aangewezen spoor.


De sporen komen voor in een zandsteenpakket van ongeveer 105 miljoen jaar oud. Ze zijn helaas niet in het vaste gesteente aangetroffen, maar in grote blokken die van de rotskust zijn afgevallen. Een van die blokken bevat zo’n 15 pootafdrukken. Een ander bevat 8 afdrukken. Beide blokken lijken uit dezelfde laag afkomstig, maar die laag werd nog niet herkend in het gesteentepakket, dat werd afgezet in een riviervlakte.

In een andere bijdrage, waaraan ook twee auteurs van het ‘sporen-artikel’, meewerkten, wordt ingegaan op de omstandigheden waaronder de pooldino’s leefden. Omdat het desbetreffende gebied destijds binnen de poolcirkel lag, waren er uiteraard, net als nu, seizoenen. Gedurende de winter was het poolgebied langdurig donker, en in de zomer werd het nauwelijks of geheel niet donker. Aan dergelijke omstandigheden passen dieren zich in het algemeen goed aan, en ook van dino’s zijn tal van aanpassingen aan bijzondere omstandigheden bekend.


Anthony Martin, onderzoeksleider
van de dinosporen.


Doorsnede door één van de onderzochte dinobotten.


Ook werd van dino’s tot nu toe aangenomen dat ze zich aan de lange poolwinters hadden aangepast. Dat zou dan, net zoals bij bijv. ijsberen, ook tot uitdrukking moeten komen in hun botten. Die vertonen namelijk groeilijnen, en een lange poolwinter komt daarin duidelijk tot uiting ( bijv. bij ijsberen). Bij de pooldino’s is dat echter niet het geval. Dat blijkt uit analyse van de botten van 17 dino’s die tussen 112 en 100 miljoen jaar geleden leefden en die in de afgelopen 30 jaar zijn verzameld. Ze vormen nu een bijzondere collectie van het Melbourne Museum. Van de 17 dino’s waren er 16 herbivoor (de resterende dino was uiteraard een carnivoor).

De bevinding is in tegenspraak met een eerdere studie waarin de microstructuur van de botten van pooldino’s werd bekeken, en waaruit zou blijken dat veel pooldino’s zich aan de lange poolwinter hadden aangepast door een winterslaap te houden, hoewel andere dino’s ook in de poolwinter actief bleven. Dat werd opgemaakt uit groeilijnen (te vergelijken met boomringen), waaruit bleek dat er duidelijke perioden waren waarin de botten niet aangroeiden. Dat werd destijds geïnterpreteerd als een bewijs voor een winterslaap. Inmiddels is echter gebleken dat ook dino’s die op veel lagere breedte leefden, ook dergelijke groeiringen vertonen, terwijl ze daar bepaald geen behoefte hadden aan een winterslaap.


Groeilijnen (zie pijltjes) in één
van de dinobotten.


Holly Woodward, onderzoekleidster van
de dinobotten.


Referenties:
  • Martin, A.J., Rich, Th.H., Vickers-Rich, P. & Vazquez-Prokopec, G., 2011. A polar dinosaur-track assemblage from the Eumeralla Formation (Albian), Victoria, Australia. Alcheringia, doi:10.1080/03115518.2011.597564.

  • Woodward, H.N., Rich, Th.H., Chinsamy, A. & Vickers-Rich, P., 2011. Growth dynamics of Australian polar dinosaurs. PloS ONE, doi:10.1371/journal.pone.0023339.

Foto’s van de sporen: Anthony Martin, Emory University, Atlanta, GA; foto’s van de botten: Holly Woodward: Montana State University, Bozeman, MT (Verenigde Staten van Amerika).


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl