NGV-Geonieuws 186

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


December 2011, jaargang 13 nr. 12

Redactie: dr. W.M.L.(Willem) Schuurman

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 1241 Een stukje snavel van een vliegende reus
  • 1242 Ontwikkeling van inzicht in oorzaak Trias/Jura massa-uitsterving omgekeerd aan die van Krijt/Tertiair massa-uitsterving
  • 1243 Fossiele veren plaatsen uitgestorven ibis
  • 1244 Dino sloeg mineralen op in ‘botten’ in de huid
  • 1245 Reactie op: Geonieuws 1240 “Inslag lijkt toch niet enige oorzaak van uitsterven dino’s”
  • 1246 Nekwervel suggereert grootste dino van Amerika
  • 1247 De eerste wankele schreden
  • 1248 Roofvogels onthullen functie van (sommige) dinoklauwen
  • 1249 Anomalocaris had er goed het oog op
  • 1250 Sedimenten in Dode Zee vormen 200.000 jaar lang klimaatarchief

    << Vorige uitgave: 185 | Volgende uitgave: 187 >>

1241 Een stukje snavel van een vliegende reus
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Sommige tand-dragende pterosauriërs moeten in het Krijt ontzagwekkende afmetingen hebben bereikt. Weliswaar niet zo groot als de azhdarchiden (een groep tandloze pterosauriërs) zoals Quetzalcoatluswaarvan wordt aangenomen dat hij een spanwijdte heeft gehad van zo’n 12 m, maar toch zeer groot. Hoe groot precies is veelal onbekend omdat gewoonlijk slechts fragmenten worden aangetroffen, zodat de reconstructie dus mede moet worden uitgevoerd op basis van vergelijking met materiaal van verwante (maar gewoonlijk andere) soorten.

Zo is onlangs een stukje snavel, dat al sinds 1884 in het universiteitsmuseum van Leicester was opgeslagen (en nu in het Museum voor Natuurlijke Historie in Londen ligt), opnieuw bekeken en geïdentificeerd als behorend tot de soort ,i>Coloborhynchus capito, die als sinds 1870 bekend is. Het stukje snavel is een relatief klein fragment met een breedte van ruim 5,5 cm en een hoogte van bijna 10 cm. Op basis hiervan wordt een schedelgrootte gereconstrueerd van ruim driekwart meter. De spanwijdte zou 7-7,25 m zijn geweest, ruim viermaal zoveel als de spanwijdte van de grootste recente vliegende vogel, de reuzenalbatros (enkele uitgestorven vogels bereikten spanwijdten tot 6 m).


Reconstructie van Coloborhynchus capito.


Enkele ornithocheiroïde pterosauriërs: de
reusachtige Coloborynchus (links)en Ornithocheirus (rechts) en de kleinere Ahanguera in het midden.


Met zijn enorme spanwijdte was Coloborhynchus een enorm vliegend gevaarte, dat zijn prooi zeker schrik moet hebben aangejaagd. Dat het ging om een jager, blijkt uit de aanwezigheid van een tand met een doorsnede bij de kroon van 13 mm in de snavel; dit is groot voor een pterosauriër. De ornithocheiriden waren gespecialiseerd in het vangen van vis; daartoe moeten ze laag en langzaam over het water hebben gevlogen, wat een goede stuurmanskunst en een goed ontwikkeld vliegvermogen vereist. Met hun tanden konden ze een eenmaal gevangen vis goed vasthouden.

De vondst is bijzonder, want er zijn zes of zeven belangrijke groepen pterosauriërs met tanden bekend, maar behalve de groep van de ornithocheiriden (waartoe Coloborhynchus behoort) gaat het om veel kleinere dieren waarvan de spanwijdte hooguit 2-3 m bedroeg.


Nog veel groter was Quetzalcoatlus
met zijn spanwijdte van wel 12 m.


De reuzenalbatros (Diomedea exulans)
is de grootste recente vliegende vogel.


Referenties:
  • Martill, D.M. & Unwin, D.M. (in press). The world’s largest toothed pterosaur, NHMUK R481, an incomplete rostrum of Coloborhynchus capito (Seeley, 1870) from the Cambridge Greensand of England. Cretaceous Research, doi:10.1016/j.cretres.2011.09.003.

Reconstructies (door Mark Witton): University of Leicester, Leicester (Groot-Brittannië); foto albatros: Elizabeth Crapo, National Oceanic and Atmospheric Administration (Verenigde Staten van Amerika).

1242 Ontwikkeling van inzicht in oorzaak Trias/Jura massa-uitsterving omgekeerd aan die van Krijt/Tertiair massa-uitsterving
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !

Hoewel er steeds meer wetenschappelijke twijfels rijzen over de inslag van een grote meteoriet als hoofdoorzaak voor de massa-uitsterving op de Krijt/Tertiair-grens (zie o.a. Geonieuws 1240), zijn bijna alle niet-deskundigen nog van de ‘oude’ visie overtuigd. Steeds meer lijkt echter de bijdrage van gigantische bazaltuitvloeiingen geaccepteerd te worden. Voor de massa-uitsterving op de Trias/Jura-grens geldt het omgekeerde: die wordt gewoonlijk aan grootschalig vulkanisme geweten, al zijn er onderzoekers die ook een rol opeisen voor de inslag van een meteoriet. Toen dat eerder werd geopperd (zie Geonieuws 274), trok dat echter weinig aandacht. Nu zijn enkele bij dat vroegere onderzoek betrokken onderzoekers, Paul Olsen en Dennis Kent, echter met nieuwe gegevens naar buiten gekomen die wél de aandacht trekken. Zelfs Nature heeft daaraan nu een artikel gewijd.

Volgens Olsen en Kent vond er op de grens tussen Trias en Jura ook een grote inslag plaats, en ook die inslag deed veel van de toenmalige flora en fauna verdwijnen, zij het niet in zo’n desastreuze mate als op de K/T-grens. Toch verdween op de T/J-grens de helft van de diersoorten; van de zeedieren verdween zo’n 20% van alle families, inclusief de conodonten, palingvormige dieren waarvan lang alleen de ‘tanden’ bekend waren en die daardoor - ondanks hun veelvuldig gebruik voor biostratigrafische doeleinden - lang een raadsel bleven. Op land was het percentage uitgestorven dieren zelfs nog groter dan in zee.

De meest aangehangen verklaring voor deze massa-uitsterving is grootschalig vulkanisme. Dat zou samenhangen met het opbreken destijds van het supercontinent Pangea. Het vulkanisme op de Trias/Jura-grens was inderdaad onvoorstelbaar heftig. Tot de meest heftige vulkanische activiteit in de menselijke geschiedenis behoort de uitbarsting in 1783 van de Laki, een vulkaan op IJsland. Het uitgestoten materiaal veroorzaakte wereldwijd een temperatuurdaling, oogsten mislukten en naar schatting kwamen daardoor 6 miljoen mensen om. Toch vloeide toen ‘slechts’ 15 km3 basalt uit. Op de T/J-grens was dat minstens 2 miljoen (!) km3, wat leidde tot een sterke verzuring van de oceanen. Reden genoeg dus voor een massa-uitsterving, maar het vulkanisme duurde enkele honderdduizenden jaren, en de uitstervingen lijken binnen veel kortere tijd te hebben plaatsgevonden. Bovendien is er, net als direct na de K/T-grens, plotseling een enorme toename van de hoeveelheden sporen van varens, de planten die als eerste weer op grote schaal plegen op te duiken na een grote natuurramp. Bovendien treedt die plotselinge piek in de varensporen - althans in de Verenigde Staten van Amerika - op voorafgaand aan de massa-uitsterving op de T/J-grens.


De geografie tijdens het einde van
de Trias en de locatie van de inslagkrater.


Grote rovers zoals Redondavenator(links)
stierven aan het eind van de Trias uit
(tekening Victor O. Leshyk).


Vandaar dat al eerder aan een inslag werd gedekt, maar voor een dergelijke inslag bestonden geen directe aanwijzingen. Vorig jaar werden dergelijke sporen echter gevonden: nabij Rochechouart in het westen van Frankrijk heeft een inslag plaatsgevonden die een krater veroorzaakte van 40-50 km in doorsnede. Deze krater werd eerder (voorlopig) gedateerd als 214 miljoen jaar oud - dus ver voor de T/J-grens, maar nieuwe, nauwkeurige dateringen geven aan dat de inslagkrater 203-199 miljoen jaar geleden werd gevormd, dus gedurende een korte tijdspanne die de T/J-grens (201,4 miljoen jaar) omvat. Op basis van diverse gegevens was al bekend dat die inslag een asteroïde van 2 km doorsnede betrof, die de aarde met een snelheid van 25 km per seconde raakte. Dat moet hebben geleid tot enorme schokgolven, die ook enorme golven en stromingen op zee deden ontstaan.

Van die turbulente toestanden zijn nu de sporen gevonden in gesteenten langs de kust van Wales. De fragmenten in het desbetreffende gesteentepakket vertonen - net overigens als eerders in Groot-Brittannië - een sterk oriëntatie, zoals die door een tsunami veroorzaakt zou kunnen zijn. Het moet een reusachtige tsunami zijn geweest, gezien het feit dat de aardbeving als gevolg van de inslag een 10-100 keer zo grote magnitude moet hebben gehad als welke bekende historische aardbeving dan ook, die vergelijkbaar lijkt met een ontploffing van een miljoen megaton (1.000.000.000.000.000 kg) TNT.

Natuurlijk betekenen deze nieuwe gegevens niet dat de massa-uitsterving op de T/J-grens hoofdzakelijk veroorzaakt werd door de inslag. Maar zoals de oorzaak van de K/T-uitsterving langzamerhand lijkt op te schuiven van een inslag naar een inslag met daarbij een meer of minder grote rol van vulkanisme, zo lijkt ook de T/J-grens te moeten opschuiven, zij het net de andere kant op: van uitsluitend vulkanisme naar een combinatie van vulkanisme en een grote inslag.


Onderzoeker Paul Olsen (foto AP/Jim Ross).

Referenties:
  • Smith, R., 2011. Dark days of the Triassic: lost world. Nature 479, p. 287-289.

Illustraties: Nature.

1243 Fossiele veren plaatsen uitgestorven ibis
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Hawaiï bestaat uit een aantal vulkanische eilanden die in de prehistorie door mensen werden gekoloniseerd. Die kolonisatie is de oorzaak van het uitsterven van veel diersoorten op de eilanden. Dat geldt o.a. voor enkele tientallen vogelsoorten, die tot dan op de eilanden voorkwamen. Van die uitgestorven vogels zijn talrijke fossiele botten gevonden, maar hun veren waren tot nu toe niet bekend.


De schedel van Apteribis sp.


Detail van de bovenkant van de schedel
met daarop nog enkele veertjes.


Nu zijn er enkele veren van 700-1100 jaar oud gevonden, deels nog vast aan een vrijwel volledig skelet van één van die uitgestorven soorten. Het gaat om de Hawaiiaanse ibis (Apteribis), één van de twee soorten op Hawaiï uitgestorven loopvogels. ,i>Apteribis blijkt nauw verwant aan de witte ibis (Eudocimus albus) en de rode ibis (Eudocimus ruber). Deze verwantschappen zijn met behulp van DNA-analyse vastgesteld; ze zijn nogal verrassend, want het skelet verschilt aanzienlijk van de op het vasteland van Amerika voorkomende witte en rode ibis.


SEM-opname van een veer van Apteribis,
met de karakteristieke ‘haakjes’.


Fossiele veren zijn zeldzaam. Dat komt doordat ze gewoonlijk vergaan voordat een vogel kan fossiliseren. De fossilisatie was in dit geval mogelijk omdat de vogel overleed in een lavagrot op het eiland Lanai. De bodem van die grond was gedeeltelijk bedekt met een dikke lag gipskristallen die, honderden jaren lang, het vocht uit de lucht absorbeerden en zo een zeer droog microklimaat vormden waarin de veren bewaard konden blijven.

De veren vormen een zeer welkome aanvulling op de bestaande kennis over Apteribis. Zo geven ze een indicatie van de kleur van het verenkleed: deze ibis soort was bruin-zwart tot ivoorkleurig-beige.Wetenschappelijk van meer belang is dat zeer kleine details van veren (o.a. de ‘haakjes’ waarmee ze een veer tot een geheel maken) informatie verschaffen over de plaats die ze in de ‘stamboom’ van de vogels innemen. Door die details - die pas zichtbaar worden met behulp van scanning-electron microscopy (SEM) - te vergelijken met die van andere vogelsoorten kon worden bevestigd wat ook uit de DNA-analyse naar voren was gekomen: Apteribis is het nauwst verwant aan de witte en rode ibis van het Amerikaanse continent.


De aan Apteribis verwante
witte ibis (Eudocimus albus).


De aan Apteribis verwante rode ibis
(Eudocimus ruber).


Referenties:
  • Dove, C.J. & Olson, S.L., 2011. Fossil feathers from the Hawaiian flightless ibis (Apteribis sp.): plumage coloration and systematics of a prehistorically extinct bird. Journal of Paleontology 85, p. 892-897.

Foto’s van de fossiele ibis: Carla Dove, Department of Vertebrate Zoology, National Museum of Natural History, Smithsonian Institution, Washington, DC (Verenigde Staten van Amerika). Foto witte ibis: Terry Foote. Foto rode ibis: Eduardo López.

1244 Dino sloeg mineralen op in ‘botten’ in de huid
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Sommige dieren, o.a. krokodilachtigen, hebben verhardingen binnenin de huid, die in veel opzichten te vergelijken zijn met holle botten. Deze zogeheten osteodermen (ostis = bot; dermis = huid) zijn ook bekend van sommige sauropoden, de plantenetende dino’s met een zeer lange nek. Tot de sauropoden behoren onder meer de titanosauriërs, de reusachtige kolossen zoals de bekende Apatosaurus (vroeger bekend onder de naam Brontosaurus). Een van de titanosauriërs waarvan nu osteodermen bekend zijn geworden is Rapetosaurus, een geslacht waarvan slechts één soort bekend is (R. krausei). Deze dino leefde gedurende het Laat-Krijt in Madagaskar, waar restanten gevonden zijn in de Maevarano-Formatie.


De grootte van een volwassen Rapetosaurus,
zijn osteoderm en een mens (1,80 m)
ter vegelijking.


De osteoderm van het juveniele
individu (links) en het volwassen
exemplaar (rechts). N.B.: verschillende schalen.


Het milieu waarin Rapetosaurus leefde kende sterk wisselende seizoenen. In combinatie met het semi-aride klimaat wijst dat erop dat er langdurig droge perioden moeten zijn geweest, waarin waarschijnlijk veel dieren omkwamen. Vooral de enorme titanosauriërs moeten het, vanwege gebrek aan voedsel, vaak zwaar te verduren hebben gehad, vooral door een gebrek aan de mineralen die onder meer noodzakelijk waren voor het onderhoud van hun beenderstelsel en voor de vaak grote nesten eieren die ze legden. Vooral aan calcium en fosfor kon daarom gemakkelijk een tekort ontstaan.

Hoe Rapetosaurus dat oploste suggereert onderzoek van een team met zowel geologen en paleontologen als biomedici. Zijn bestudeerden osteodermen die toebehoorden aan een volwassen en een jong (juveniel) individu van deze soort. Van beide dieren werd een gedeeltelijk skelet aangetroffen, evenals een osteoderm. Hoewel volledig ingesloten in de huid, waren dat grote ‘botten’, met een vorm die wat op een rugbybal lijkt. De osteoderm van de volwassen dino had een volume van bijna 10 dm, maar iets meer dan de helft hiervan bestaat uit een holte. Daarentegen was de osteoderm van het juveniele exemplaar kleiner en massief.


Opgraving van een van de skeletten.


Onderzoeksleider Kristi Rogers in het veld.


Door deze osteodermen in dunne plakjes te onderzoeken, ook met een CT-scan, kon inzicht worden verkregen in de ontwikkeling van deze ‘huidbotjes’. Daaruit blijkt dat de osteodermen zich aanvankelijk als massieve voorwerpen ontwikkelen, maar dat later holtes worden gevormd, waarin mineralen - uiteraard in de vorm van chemische verbindingen - worden opgeslagen; zodra de omstandigheden leidden tot een tekort aan mineralen, werd uit de voorraad in de osteoderm geput. Zo konden de - waarschijnlijk jaarlijkse - perioden van grote droogte en voedseltekort (en dus ook gebrek aan mineralen) worden overleefd.


Het skelet van het holotype van
Rapetosaurus krausei

Referenties:
  • Rogers, K.C., D’Emic, M., Rogers, R., Vickarious, M. & Cagan, A., 2011. Sauropod dinosaur osteoderms from the Late Cretaceous of Madagascar. Nature Communications 2, doi:10.1038/ncomms1578.

Foto skelet: Liza Andres. Overige foto’s welwillend ter beschikking gesteld door Kristi Rogers, Geology Department, Macalester Colege, St Paul, MN (Verenigde Staten van Amerika).

1245 Reactie op: Geonieuws 1240 “Inslag lijkt toch niet enige oorzaak van uitsterven dino’s”
Auteur: Prof Jan Smit, VU Amsterdam

Klik hier voor alle artikelen over Astronomie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen ! Klik hier voor alle artikelen over Vulkanologie !

“Jan Smit is aan zet” schrijft Tom van Loon uitdagend, in zijn geonieuws 1240, daarbij doelend op een recent artikel van o.a. Gerta Keller in EPSL (en een uitgebreider artikel in het journal van de Indiase geologische dienst).

En bij deze pak ik de handschoen op!

Dat Gerta Keller ‘overtuigend’ overkomt is buiten kijf, maar dat haar “bewijzen” dat ook zijn, daar kan je grote vraagtekens bij plaatsen, en menigeen is daar al ingetrapt.
Het artikel van o.a. Keller is overigens tamelijk teleurstellend, er komt geen enkel nieuw gegeven naar voren, sterker nog, de resultaten lijken als twee druppels water op andere bekende secties, o.a. Caravaca en Zumaya in Spanje en Kef in Tunesië

Maar, schrijft van Loon, ‘de argumenten op basis van de ontwikkeling van de foraminiferen zijn zeer sterk’. Kijk, daar komt hij op mijn eigen terrein, ik ben ooit mijn carrière begonnen met de analyse van (planktonische) foraminiferen, en hun uitsterven heeft geleid tot mijn pad naar de Chicxulub impact. Laten we even de “overtuigende aanwijzingen” onder loep nemen dat de Deccan traps een hoofdrol spelen in de massa-uitsterving op de grens tussen Krijt en Tertiair, en dat “andere meteorietinslagen” daar ook nog een rol in zouden spelen.

Laat ik me beperken tot de volgende punten:
1) Stromen de Deccan traps wel allemaal uit in die korte periode die Keller aangeeft?
2) Wordt het leefmilieu slechter door het (eerste) uitstromen van de Deccan traps?
3) Klopt het verhaal van Keller over de foraminiferen in verband met de Deccan traps?
4) Sterft er überhaupt wel leven uit door toedoen van de Deccan traps?

1) Stromen de Deccan traps wel uit in de korte periode rond de KT grens?
Ton van Loon reproduceert een figuurtje van Keller, dat ontleend is aan een figuur in Chenet et al 2007 in EPSL. (Fig.1).


Fig.1

Ik heb beide figuren op dezelfde schaal naast elkaar gezet, en dan blijkt duidelijk dat Keller die figuur, op zijn zachtst gezegd, nogal selectief heeft ge-“modified after Chenet 2007” zoals ze zelf in het onderschrift zegt. De meetfout van de radiometrische dateringen waar van Loon op doelt, hebben marges van meer dan een miljoen jaar, en de resultaten van de bovenste twee fases overlappen elkaar dan ook volledig, zodat van een onderscheiding van “drie fases” geen sprake kan zijn. Een “overtuigende aanwijzing” is het allerminst, eerder misleiding. Een ander argument tegen al die mega-erupties in korte tijd ligt in het gegeven dat na iedere eruptiefase (elk van de “traps”), de magmakamers onder de erupties weer gevuld moeten worden en dat kost tijd. Gemiddeld is er elke duizend jaar een eruptie, en dat geeft het milieu ruim de tijd om zich te herstellen. Deze afbeelding van de Deccan traps (Fig.2) laat het ook zien, tussen iedere lava zitten gewone sedimentlagen met bodems, die veel meer tijd in beslag nemen dan de eigenlijke eruptie.


Fig.2; Deccan Traps

2) Wordt het leefmilieu slechter door het (eerste) uitstromen van de Deccan traps?
Dat het leefmilieu slechter zou worden van de Deccan erupties, is al sinds de 70’er jaren door Dewey Mclean, en later Courtillot en anderen beargumenteerd. Het is niet zo vreemd om dat te veronderstellen, er zijn goede aanwijzingen dat zowel de Perm-Trias grens als de Trias-Jura grens samenvallen met een grote episode van plateaulava erupties. Maar ook daar rijzen de twijfels (zie Geonieuws 1242). Maar zijn voor die verslechtering aanwijzingen? Courtillot zelf geeft dit plaatje al in de Scientific American van oktober 1990 (Fig.3), waarbij duidelijk blijkt dat de dinosauriërs in India - allemaal endemisch omdat India in die tijd een eiland is - daar vrolijk rondlopen tijdens de uitbarstingen. Net als amfibieën en vissen die toch door velen worden gezien als kwetsbaar voor verzuring van de CO2 en zwavelgassen van de erupties.


Fig.3

In feite geeft dit plaatje precies hetzelfde weer wat Keller nu als ‘nieuw’ brengt, namelijk dat de erupties samenvallen met de KT grens en dus met de Chicxulub impact. Maar dat wisten we al, en nu willen we graag de bijdrage van de Deccan traps kunnen meten. Al die CO2 zou een flinke verzuring van de oceanen veroorzaken, en de koolstof isotopen verhouding in organisch materiaal zou in de oceaan door uitwisseling met de atmosfeer moeten veranderen. We hebben net een proef uitgevoerd aan de Vrije Universiteit, maar daar blijkt geen enkel verband te zijn.

3) Klopt het verhaal van Keller over de foraminiferen in verband met de Deccan traps?
Het kleiner worden, “lilliput effect” van de foraminiferen gedurende de uitstroming van de Deccan traps, naar een climax op de KT inslag laag. Het valt op dat in alle Indiase boorkernen die Keller beschrijft, de preservatie van de foraminiferen allerbelabberdst is, wat te zien is op haar afbeeldingen. Van Loon presenteert dan ook geen plaatje uit haar artikel van exemplaren uit de boorkernen, maar van Ocean Drilling kernen, waar de preservatie geweldig is, maar die niet uit de buurt van de Deccan traps komen(Fig.4).


Fig.4

De abundantie en preservatie van de foraminiferen hangt dan ook nauw samen met de gesteentesamenstelling, en de diepte van het bekken in India. De ‘hoge stress condities’ waar ze het over heeft, kunnen dus ook, en veel overtuigender, door de geringe diepte van het bekken (in de Noordzee komen vrijwel geen planktonische foraminiferen voor!) verklaard worden. Planktonische (daar hebben we het hier steeds over) foraminiferen dobberen aan de oppervlakte van de oceaan, en worden telkens door zeestromen overal heen gevoerd. Tijdelijk kunnen vlak na de erupties in de buurt van India de dobberende foraminiferen even last van erupties in de zee gehad hebben (maar daar blijkt in de buurt van recente vulkanen in de zee helemaal niets van), maar de zeestromingen zullen binnen enkele weken/maanden weer vers zeewater met ongeschonden foraminiferen aanvoeren naar India, die daar deel zullen uitmaken van de slikken op de zeebodem. Die enkele maanden tegen 999.99 normale jaren kunnen dus vrijwel geen enkele invloed op de samenstelling van de fossiele foraminiferen gehad hebben. De diepte van het bekken speelt een overheersende rol. Dit plaatje van Keller zelf( Fig.4) laat de alternatieven zien; Een open oceaan tegenover een marginale, ondiepe zee veroorzaakt eenzelfde verandering als een klimaatverandering of (verondersteld) een vulkanische eruptie. Pakken we er een aantal andere onderzoeken bij, waaronder uit mijn proefschrift uit 1981, Arz 2000, 2006, Arenillas 2000a, b, Molino 2003 etc, dan blijkt er wereldwijd geen enkel consistent “lilliput effect” op te treden gedurende de Deccan erupties, maar verdwijnen ze allemaal, tegelijk, precies op het laagje van Chicxulub met iridium (Fig.5).


Fig.5;Het 2mm dikke Chicxulub ejectalaagje (groen)
uit Agost, Spanje

Ik begrijp ook niet goed waar van Loon die ‘overtuigende argumenten’ uit de ‘foraminiferen’ vandaan haalt. Hij maakt geen onderscheid tussen bentonische (op de bodem levende) en planktonische (aan de oppervlakte dobberende) foraminiferen, terwijl die twee groepen een heel verschillende levenswijze hebben en niet met elkaar te vergelijken zijn. De bodemlevende foraminiferen kunnen wel degelijk last hebben van de vulkanische erupties, omdat ze niet weg kunnen, maar de planktonische worden na de erupties direct weer aangevuld van elders. Paradoxaal is het dan dat de bentonische foraminiferen maar heel beperkt uitsterven op de KT grens, maar de planktonische bijna allemaal. De enige figuur die in Keller’s verhaal te zien is (Fig.6)), is identiek aan wat we overal elders zien, en heel typisch voor een heel ondiepe zee waarGuembelitria (de high-stress tolerante soort, de enige die onbetwist de KT grens overleeft) zich heel goed thuis voelt.


Fig.6

In de open oceaan wordt Guembelitria nooit gevonden, behalve even boven het iridium ejecta laagje. Het oplossen van de fossieltjes in het bovenste deel van het Maastrichtian wordt wel heel gemakkelijk aan vulkanische exhalaties toegeschreven. Maar in iedere KT sectie vindt vlak onder KT oplossing plaats, ook ver van de Deccan traps. Op grond van de sedimentatiesnelheid (Mukhopadhyay, 2007)aldaar in India is na te gaan dat die 20cm dikke “dissolution zone” nooit langer dan 20.000 jaar geduurd kan hebben.


4) Sterft er überhaupt wel leven uit door toedoen van de Deccan traps?
Is er dan helemaal geen invloed van de Deccan traps op de fauna van die tijd te vinden? Dat lijkt heel onwaarschijnlijk gezien de vermeende invloed van dergelijke lavas op eerdere perioden van uitsterven. Het is van groot belang om dat eens goed en degelijk uit te zoeken, en dat gaan we ook doen aan de hand van nieuw ontdekte diepwater secties in Turkije, waar zowel het Chicxulub inslaglaagje over maar liefst 150 kilometer te volgen is, als het moment van het uitstromen van de Deccan lavas. Zetten we wat er nu wel bekend is op een rijtje, dat lijkt het er tot nu toe op dat die invloed heel gering is geweest. Ammonieten en belemnieten lopen in de beroemde Zumaya sectie gewoon door tot vlak onder de inslaglaag. Rudisten lopen wel terug in aantal en soortenrijkdom, en hebben er mogelijk last van gehad. Maar ze lopen al terug in het onderste Maastrichtien, ver voor de Deccan traps. Hetzelfde geldt voor de Inoceramus. Die verdwijnen wereldwijd 3.5 miljoen jaar onder de KT grens. Maar in detail is het allemaal nog niet goed gedocumenteerd, omdat de meeste aandacht naar de KT grens zelf uitgegaan is, en niet wat er tot een half miljoen jaar voor die grens is gebeurd. Het aantal Dinosaurus soorten lijkt af te nemen in het interval van de Deccan traps in Noord Amerika, maar dat bleek een artefact van de fluviatiele sedimentatie. In Europa daarentegen neemt het aantal soorten juist flink toe, met name hadrosauriers (‘duckbills’) komen op het laatse deel van het Maastrichtian erbij.


Fig.7

Hierboven is een samenvattend plaatje gegeven van wat er wanneer plaatsvindt(Fig.7). De verschuiving van de 187Os/188Os verhouding van het oceaanwater wordt gekoppeld aan het uitstromen van de Deccan traps (Ravizza, 2003 Science). Er gebeurt teleurstellend weinig tijdens het eerste uitstromen van de Deccan traps, maar des te meer precies op het moment van de Chicxulub impact.

Er zitten nog veel meer foute beweringen in het artikel van Keller, maar daar gaan we de volgende keer maar op in!

Referenties:
  • Geen Referenties

1246 Nekwervel suggereert grootste dino van Amerika
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

De sauropode dino Alamosaurus is al bekend sinds 1922. Het is, met onder meer de 70 ton wegende Argentinosaurus (uit Zuid-Amerika) en Ruyangosaurus (China), een van de grootste dino’s ter wereld. Op basis van vondsten in de afgelopen jaren in Nieuw Mexico blijkt dat Alamosaurus nog groter kon worden dan vroeger werd gedacht; tot nu toe werd gedacht aan een lengte van ca. 20 m en een gewicht van 30 ton, maar er werd al eerder aan getwijfeld of dat zijn maximale lengte en gewicht waren, want de botten waarop die schatting berustte waren (waarschijnlijk) afkomstig van een nog niet volwassen exemplaar.


De gereconstrueerde nekwervel (voorgrond)
van Alamosaurus. Op de achtergrond
de reconstructie van een sauropode dino.


Alamosaurus sanjuanensis is een
van de grootste dino’s ter wereld.


De botten van Alamosaurus sanjuanensis (genoemd naar het San Juan Bekken waar de nieuwe botten werden gevonden) die in de afgelopen jaren zijn gevonden bevestigen die veronderstelling: ze zijn namelijk wel van volwassen individuen afkomstig, en ze zijn inderdaad ook groter. De afmetingen van het nieuwe materiaal (een dijbeen, maar vooral ook twee nekwervels) wijzen op een grootte die niet of nauwelijks onderdoet voor die van Argentinosaurus. Alamosaurus is daarmee in ieder geval de grootste dino uit Noord-Amerika; zijn gewicht wordt nu ook op zo’n 70 ton geschat.

Het dier, dat verwant was met de bekende Diplodocus, is nu bekend van diverse plaatsen op arde, maar vooral uit het zuidwesten van de Verenigde Staten. Hij leefde daar omstreeks 69 miljoen jaar geleden (Laat-Krijt). Tyrannosaurus rexmoet daar tegelijk hebben rondgelopen, zoals blijkt uit de vondst van tanden van die rover vlakbij de botten van Alamosaurus. Hoewel van Alamosaurus tal van fragmenten zijn gevonden, is de kennis van het skelet nog zeer incompleet. Van veel botten zijn nog geen fossiele resten bekend, en bovendien verkeren lang niet alle botten in goede staat doordat ze, na afsterven van het dier, veelal geruime tijd aan verwering blootstonden, vaak ook nog lang nadat ze door zandig materiaal waren bedekt (omdat zuurstofrijk grondwater gemakkelijk in dergelijke sedimenten kan doordringen).

Dat gebrek aan goed materiaal maakt een betrouwbare schatting van lengte en gewicht zeer lastig. Interessant in deze context is dat in 1878 een dijbeen, een schaambeen en twee wervels werden beschreven van een nieuwe dino (Amphicoelias altus), die 4 m hoog, 20 m lang en 20 ton zwaar geweest zou zijn. Niet echt bijzonder, maar dezelfde auteur beschreef in hetzelfde jaar een wervel van een andere soort (A. fragillimus) op basis van een enkele wervel die in zeer slechte staat verkeerde, en die bovendien verloren ging tijdens transport naar New York. Op basis van vergelijking met andere botten van dino’s waarover veel meer bekend was, schatte de auteur de hoogte, lengte en gewicht van deze nieuwe soort op maar liefst 60 m, 3,7 m en 120 ton (!). Er bestaan echter twijfels over de betrouwbaarheid van deze vondst. Een dergelijke twijfel bestaat gelukkig niet ten aanzien van Alamosaurus sanjuanensis, ook al blijven de schattingen van lengte en gewicht niet meer dan een ‘best guess’.


Deze tand van Tyrannosaurus rex werd
samen gevonden met botten van Alamosaurus.


Onderzoekers Robert Sullivan en
Denver Fowler in het San Juan Bekken
(Nieuw Mexico).


Referenties:
  • Fowler, D.W. & Sullivan, R.M., 2011. The first giant titanosaurian sauropod from the Upper Cretaceous of North America. Acta Palaeontologica Polonica 61, 6 blz. (in druk)

Illustraties (Denver Fowler): Montana State University, Bozeman, MT (Verenigde Staten van Amerika).

1247 De eerste wankele schreden
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie !

Vliegende vissen zijn goed bekend, en ook op het land kunnen sommige vissen zich gemakkelijk, soms over aanzienlijke afstanden, verplaatsen: palingen zijn daarvan een goed voorbeeld. Maar er is een vis die letterlijk goed uit de voeten kan, al is zijn ‘lopen’ vooral beperkt tot lopen over de bodem van een waterpartij. Het gaat hierbij om de Afrikaanse longvis (Protopterus annectens), een soort levend fossiel dat veel belangstelling geniet omdat hij inzicht geeft in de manier waarop het land door de dierenwereld werd veroverd.

Die verovering vond zo’n 370-360 miljoen jaar geleden plaats. Tiktaalik rosae (zie Geonieuws 700 en 711) wordt beschouwd als de eerste vis die de overgang van vissen naar op het land levende tetrapoden vertegenwoordigt. Het bijzondere van Tiktaalikis dat de buikvinnen - die al enigszins op voorpoten lijken - een pols- en een ellebooggewricht hebben, waardoor een flexibele manier van voortbewegen mogelijk werd. Maar of Tiktaalik< ook werkelijk op het land kon lopen op die poten is nog niet echt duidelijk: zijn gewicht was daarvoor waarschijnlijk te groot. Dat geldt ook voor Protopterus, maar het grote voordeel van dit dier bij het onderzoek naar de ontwikkeling van het loopvermogen is dat we dit dier werkelijk in actie kunnen zien. En dat is allemaal vastgelegd op video.

Bij sommige vissen ontstonden voorpoten uit de gepaarde buikvinnen (zie Geonieuws 1231) door de wijze waarop de spieren zich ontwikkelden. Hoe het loopvermogen zich ontwikkelde was echter tot nu toe niet erg duidelijk. Die eerste wankele schreden zijn nu op de video-opnames van Protopterus duidelijk te zien: met behulp van zijn buikvinnen (de vinnen waaruit voorpoten ontstonden die leidden tot de evolutie van de tetrapoden uit de vissen) heft hij zich van de bodem omhoog, en beweegt zich waggelend voorwaarts in het water door zijn linker- en rechterbuikvin beurtelings naar voren te verplaatsen. Het opheffen is, ondanks de betrekkelijk kleine buikvinnen, mogelijk vanwege de opwaartse kracht die het water op het dier uitoefent. Door zijn longen met lucht te vullen, wordt het opheffen van zijn lichaam nog gemakkelijker.

Op een zachte bodem laten die buikvinnen bij het lopen een spoor achter. Die sporen lijken soms sterk op de sporen van tetrapoden. Het lijkt de onderzoekers dan ook heel goed mogelijk dat wat eerst voor loopsporen van vroege tetrapoden werden aangezien in werkelijkheid sporen zijn van vissen die op hun buikvinnen ‘liepen’. Dat hieraan nooit eerder is gedacht, komt doordat er - merkwaardig genoeg - nooit eerder serieus werd gekeken naar de wijze waarop de toch bij veel onderzoeken betrokken Protopterus zich werkelijk voortbeweegt.


Het is op een primitieve manier,
maar toch een soort lopen.


Zij-aanzicht van een ‘lopende’
Protoperus annectens.


Referenties:
  • King, H.M., Shubin, N.H., Coates, M.I. & Hale, M.E., 2011. Behavioral evidence for the evolution of walking and bounding before terrestriality in sarcopterygian fishes. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, doi:10.1073/pnas.1118669109, 6 blz.

Foto’s (Yen-Chi Liu): University of Chicago Medical Center, Chicagio, IL (Verenigde Staten van Amerika).

1248 Roofvogels onthullen functie van (sommige) dinoklauwen
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Sommige dino’s hadden zeer grote klauwen. Over de functie daarvan is veel gespeculeerd zonder echter veel aanwijzingen te hebben. Zo wordt verondersteld dat de grote klauwen aan de achterpoten van Balaur bondocdienden om prooidieren uit te graven (zie Geonieuws 1082), maar waarom deed hij dat niet met zijn voorpoten? De grote sikkelvormige klauwen aan de voorpoten, zoals bij Baryonyx walkeri waarbij die klauwen wel 30 cm lang werden (zie Geonieuws 1207), worden vaak geïnterpreteerd als wapens waarmee de vleesetende dino’s hun prooien aanvielen, verwondden en mogelijk doodden.

Er zijn echter ook dino’s die aan elk van hun voorpoten één grote sikkelvormige klauw hebben. Dat geldt bijv. voor de dromaeosauriërs, een groep kleine carnivore dino’s waaruit de vogels zijn voortgekomen. Tot deze groep behoren de bekende Velociraptor en de iets grotere Deinosuchus. Van deze dromaeosauriërs wordt gewoonlijk verondersteld dat hun grote klauw diende om een prooi te verwonden of om te helpen in een schuilplaats te klimmen.

Door samenwerking met een evolutionair bioloog van hun eigen universiteit, Robert Kambic, kwamen geologen van de Universiteit van Montana tot een compleet andere interpretatie. Die berust op vergelijking met nu levende adelaars en haviken; die hebben eenzelfde vergrote klauw op dezelfde plaats. Die vogels gebruiken de klauw onder meer om er een eenmaal gevangen prooi aan vast te haken. Door vervolgens met hun lichaamsgewicht te prooi omlaag te drukken en hun vleugels over de prooi uit te spreiden kan zelfs een prooi van gelijke omvang als de roofvogel niet meer ontsnappen. Een positie bovenop een prooi is echter niet erg stabiel; door met hun vleugels te flapperen weten de roofvogels echter ook op een nog bewegende prooi hun evenwicht te bewaren. Net als adelaars en haviken met een grote prooi, hebben ook de dromaeosauriërs die prooi waarschijnlijk nog bij leven ter plaatse - voor zover mogelijk - opgegeten (een kleine prooi wordt door roofvogels gewoonlijk direct gedood en vaak meegenomen naar hun nest, waar ze zich veiliger voelen of hun jongen voeden).


De vorm van de beenderen van de voet van
dino’s hangt samen met defunctie: een lange
middelste teen wijst op rennende dieren
(Gallimimus, links; Allosaurus, midden),
terwijl een sikkelvormige ‘duim’ wijst op stevig
vastgrijpen (Deinosuchus, rechts).


Afgietsel van de rechtervoet van
Deinosuchus, in ‘grijppositie’.


Gezien de nauwe verwantschap tussen dromaeosauriërs en deze roofvogels lijkt het, juist ook vanwege de vergelijkbare ontwikkeling van de klauw en de positie daarvan op dezelfde plek aan de poot, zeer waarschijnlijk dat ook de dromaeosauriërs met hun sikkelvormig klauwen grote prooien het vluchten beletten. Een functie van de klauw als ‘haak’ is des te waarschijnlijker omdat de poten van de dromaeosauriërs veel beter geschikt lijken om te grijpen dan om te lopen, en de middenvoetbeentjes meer gericht zijn op stevigheid en kracht dan op snelheid. Dat is te reconstrueren omdat de meeste dino’s en vogels alleen op hun tenen lopen: de middenvoetbeentjes van dino’s en vogels vormen daarom in feite een onderdeel van de poot. Terwijl lange middenvoetbeentjes bij deze dieren dus zouden bijdragen aan de mogelijkheid om grotere passen te nemen (en dus ook sneller te rennen), zijn die beentjes bij de dromaeosauriërs juist kort. Het beeld dat in veel films wordt gegeven van Velociraptor als een snelle renner, is dus onjuist: ze moeten hun prooi met een andere jachttactiek dan hard rennen hebben bemachtigd. Dat is dus tegengesteld aan de troodontiden, een groep dino’s die aanvankelijk sterk op de dromaeosauriërs leek, maar die in de loop van 60 miljoen jaar een heel andere kant uit evolueerde: hun middenvoetbeentjes wijzen erop dat ze snel waren, maar een minder vaste greep hadden (en dus waarschijnlijk ook kleinere prooidieren vingen).

De al dan niet oudste vogel (Archaeopteryx, zie Geonieuws 1208), die als een tussenschakel tussen de dromaeosauriërs en de moderne vogels kan worden beschouwd, heeft een soortgelijke klauw als hierboven beschreven. Zijn vliegvermogen was echter waarschijnlijk nog beperkt, maar hij kon zeker met zijn vleugels flapperen, wat zal hebben geholpen om zijn evenwicht bovenop een gevangen prooi te bewaren. Het vermogen om met de vleugels te flapperen is vanwege deze functie in de loop van de evolutie steeds verder ontwikkeld, wat uiteindelijk ook kan hebben bijgedragen aan het ontzagwekkende vliegvermogen dat grote vogels (zoals de adelaar) nu hebben.


De rechtervoet van Deinosuchus,
in ‘looppositie’ op vlakke grond.


Roofvogels (en waarschijnlijk ook dromaeosauriërs
zoals Deinosuchus) drukken een grote
gevangen prooi tegen de grond en eten hem ter plaatse.


Referenties:
  • Fowler, D.W., Freedman, E.A., Scannella, J.B. & Kambic, R.E., 2011. The predatory ecology of Deinonychus and the origin of flapping in birds. PloS ONE 6 (12),
  • e28964, doi:10.1371/journal.pone.0028964, 13 blz.

Foto’s: Denver Fowler, Montana State University, Bozeman, MT (Verenigde Staten van Amerika); tekening: Nate Carrol en (rechtsonder) Lee Hall).

1249 Anomalocaris had er goed het oog op
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over Biologie & Evolutie ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Anomalocaris, een dier dat hoogst waarschijnlijk behoorde tot een (inmiddels uitgestorven) groep van de kreeftachtigen en dat in het Cambrium leefde, is de oudst bekende grote rover op aarde. Hij werd tot ongeveer een meter groot, en greep zijn prooi op de zeebodem met twee goed ontwikkelde vangarmen. Hoe hij die prooi verorberde, is onduidelijk, want zijn mond was ongeschikt om daarmee harde brokstukken (bijv. een trilobiet in zijn harde exoskelet) naar binnen te werken (zie Geonieuws 1105). Toch moet hij die op de een of andere manier gegeten hebben, zoals blijkt uit de fragmentjes van trilobieten die in zijn gefossiliseerde uitwerpselen (coprolieten) zijn aangetroffen.


Reconstructie (door Katrina Kenny) van Anomalocaris.


Fossiel van Anomalocaris uit de
mid-cambrische Mt Stephen Trilobite Beds
nabij Field (Brits Columbia, Canada).


Nu blijkt dat het dier op een ander gebied wél heel goed ontwikkeld was. Fossielen van het dier die gevonden zijn op Kangoeroe Eiland (Zuid-Australië) vertonen namelijk exceptioneel goed gepreserveerde ogen. En die ogen blijken zo goed ontwikkeld te zijn dat ze minimaal een zicht opleverden dat gelijk is aan dat van de meeste recente insecten en kreeftachtigen.

De ogen van Anomalocaris zaten op steeltjes, vergelijkbaar met de ogen van veel recente slakken. Het waren facet-ogen van elk tot wel 3 cm groot, en met elk meer dan 16.000 facetten. Dat betekent dat het gaat om facet-ogen die behoren tot de grootste en meest uitgebreide die bekend zijn, zowel uit de geologische geschiedenis als van recente dieren zoals de om hun goede gezichtsvermogen bekende libelles. Die extreem goed ontwikkelde ogen moeten Anomalocaris in staat hebben gesteld om op de ondiepe zeebodem waar hij leefde, en waar nog een redelijke hoeveelheid daglicht moet zijn doorgedrongen, zeer succesvol te jagen op prooidieren, zeker omdat die - voor zover bekend - een veel minder goed ontwikkeld gezichtsvermogen hadden.


Twee ogen van een exemplaar van Anomalocaris.
a: het gefossiliseerde materiaal; b: schematische
weergave met in grijs de oogdelen met facetten;
c: detail van het facet-oog; d: oogdeel met overgang
(zie pijltjes) naar de ‘oogsteel’; e:detail van facetten.
Schaalstreepjes: a en b: 5 mm; c: 1 mm; d: 2 mm; e: 0.3 mm.

Referenties:
  • Paterson, J.R., García-Bellido, D.C., Lee, M.S.Y., Brock, G.A., Jago, J.B. & Edgecombe, G.D., 2011. Acute vision in the giant Cambrian predator Anomalocaris and the origin of compound eyes. Nature 480, p. 237-240.

Foto fossiel: Mark Wilson, College of Wooster, Wooster, OH (Verenigde Staten van Amerika). Reconstructie: University of Adelaide (Australië).

1250 Sedimenten in Dode Zee vormen 200.000 jaar lang klimaatarchief
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Paleo)Klimaat !

De Dode Zee is een uitzonderlijk bekken omdat het ligt in een zogeheten rift valley, een gebied dat de scheidslijn vorm tussen twee uiteendrijvende continentale blokken. Daar komt bij dat die blokken verschillende tektonische bewegingen hebben ondergaan, waardoor de pakketten die ontsloten zijn aan de Israëlische kant qua ouderdom sterk verschillen van die aan de kant van Jordanië. Het water in de Dode Zee komt van de Jordaan; doordat al jaren van die rivier het meeste water wordt afgetapt voor irrigatie van Israëlische landbouwgronden, is het waterpeil inmiddels zeer ver gezakt en zijn zelfs delen komen droog te liggen. Momenteel zakt het waterniveau in de Dode Zee jaarlijks met 1-2 m. Voor geologen is dat een buitenkansje, want het maakt het gemakkelijker om een boring in de Dode Zee te zetten.


De Dode Zee maakt deel uit van
een rift valley.


Overzicht over de Dode Zee vanuit
Israël met Jordanië op de achtergrond.


Een dergelijke boring is interessant, mede omdat zich in de loop der tijd een dik pakket sediment (waaronder zeer veel zout) heeft afgezet in het dalende bekken (het waterniveau ligt ruim 400 m onder de zeespiegel, waarmee de Dode Zee het diepste - natuurlijke - punt op aarde is). Die afzettingen hebben zich gedurende minstens 200.000 jaar ononderbroken kunnen opstapelen, en vormen zo een prachtig archief waarin de ontwikkelingen van het klimaat ter plaatse zijn vastgelegd. Geen ander continu ‘archief’ in het Midden-Oosten gaat zo ver in de tijd terug.

De boorkernen uit de Dode Zee laten overigens, naast de voor de klimaatgeschiedenis belangrijke gegevens, ook andere ontwikkelingen zien. Zo bevatten ze, net als de Lisan Formatie die aan de Israëlische zijde is ontsloten, tal van verstoringen die toegeschreven worden aan seismische activiteit. Op basis van deze verstoringen kan worden vastgesteld hoe vaak aardbevingen optraden, en ook kan worden geschat hoe groot hun magnitude was. Op basis daarvan kunnen dan weer schattingen worden gemaakt van het risico dat dergelijke aardbevingen voor de bewoners van het gebied vormen (zie ook Geonieuws 634).

Op een bijeenkomst van de American Geophysical Union werden op 5 december enkele gegevens van recente booractiviteiten in de Dode Zee gepresenteerd. In 300 m diep water werd zo’n 250 m modderig sediment aangeboord, met daaronder een laag grind en daar weer onder een kleine 50 m steenzout. Dat zout kon chemisch neerslaan gedurende een droge periode; de grindlaag zou volgens de onderzoekers een rolsteenstrand vertegenwoordigen, zoals dat ook nu plaatselijk langs de Dode Zee voorkomt. De droogteperiode vond waarschijnlijk zo’n 125.000 jaar geleden plaats, midden tussen de twee laatste ijstijden in, toen het klimaat op z’n warmst was. Het klimaat was toen niet alleen warmer dan nu, maar ook droger. Waarschijnlijk was ook de toevoer van water door de Jordaan toen geheel tot stilstand gekomen.


Plooien in de Lisan Formatie als
gevolg van aardschokken.


Het water van de Dode Zee is zo
zout dat je erin blijft drijven.


De onderzoekers wijzen erop dat een uitdroging van het gebied dus een natuurlijk gevolg is van hogere temperaturen, en dat dit al binnen enkele tientallen jaren opnieuw voor grote problemen zou kunnen zorgen als de reeds zo’n 10 jaar niet meer stijgende temperatuur op aarde opnieuw zou gaan stijgen. Water is reeds schaars in grote delen van de wereld, en daarmee een bron van conflicten. Verdere uitdroging van het Midden-Oosten zou haast onontkoombaar tot gewapende conflicten leiden. De onderzoekers pleiten er dan ook voor om maatregelen uit te werken die verdere verdroging kunnen helpen voorkomen.

Tot dergelijke maatregelen zou wellicht ook vermindering van het gebruik van Jordaanwater voor irrigatie moeten behoren (Israël heeft al een fabriek voor het ontzilten van zeewater, en er zijn zelfs plannen ontwikkeld om water uit de Middellandse Zee naar de Dode Zee te leiden om zo een kunstmatige ‘waterval’ te creëren waarmee elektriciteit kan worden opgewekt voor het ontzilten van veel meer zeewater).


Het verdampende zoute water leidt
tot zoutkorsten langs de Dode Zee.


Een rolsteenstrand langs de kust
van de Dode Zee. De rolstenen zijn
aaneengekit door steenzout.


Referenties:
  • Zhurn, R., 2011. Scientists discover a climate change warming deep under the Dead Sea. Persbericht College of Mining & Engineering, University of Minnesota, 2011-12-05.

Satellietopname: NASA; foto uitzicht: David Shankbone; foto plooien in Lisan Formatie: Adi Torfstein; foto zoutkorst: Ian en Wendy Sewell; foto pebbles: Wilson 44691.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl