NGV-Geonieuws 193

NGV-Geonieuws: elektronisch geologisch tijdschrift


Augustus 2012, jaargang 14 nr. 8

Redactie: dr. W.M.L.(Willem) Schuurman

    Klik hier om deze uitgave af te drukken !
  • 1262 Augustus dinomaand (1): Een galgenmaal voor Velociraptor
  • 1263 Augustus dinomaand (2): ‘Vliegen’plaag voor dino’s
  • 1264 Augustus dinomaand (3): Een ongelijk einde voor de dino’s
  • 1265 Augustus dinomaand (4) Hoe at Diplodocus?
  • 1266 Augustus dinomaand (5): Kleren maken de man, veren maakten de dino
  • 1267 Augustus dinomaand (6): Exploderende ichthyosauriër blijkt mythe
  • 1268 Augustus dinomaand (7): Beschimmelde dino-eieren
  • 1269 Augustus dinomaand (8): Een gevederde dino vermomd als eekhoorn
  • 1270 Augustus dinomaand (9): Opvallend grootte-record voor gevederde dino’s

    << Vorige uitgave: 192 | Volgende uitgave: 194 >>

1262 Augustus dinomaand (1): Een galgenmaal voor Velociraptor
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Vorig jaar augustus verschenen in Geonieuws 10 sterk uiteenlopende bijdragen over dino’s. Daarin bleek veel interesse te bestaan. Daarom roepen we ook dit jaar augustus maar weer tot dinomaand uit.


Velociraptors waren behendige jagers.

Tot de bekendste vleesetende dino’s behoort, mede dankzij de films over ‘Jurassic Park’, Velociraptor. Dit geslacht was niet groot, maar waarschijnlijk zeer behendig, en er bestaan talrijke aanwijzingen dat hij in kuddes jaagde, onder meer op de grote sauropoden. Maar dergelijke jacht was natuurlijk gevaarlijk: een klap met de staart van een grote sauropode (zoals Brontomerus; zie Geonieuws 1157) kwam harder aan dan een klap van de molenwiek: er zijn berekeningen gemaakt die aangeven dat het uiteinde van de staart van een sauropode enkele malen sneller heen en weer bewogen kon worden dan het geluid!


Pterosauriërs zoals Pterodactylus waren
zeker geen normale prooi voor Velociraptor.

De strijd om het bestaan was waarschijnlijk hard, en voedsel moet soms schaars zijn geweest. Mogelijk was dat de reden dat Tyranosaurussoms (vooral jonge) soortgenoten at. Nu zijn er aanwijzingen gevonden dat Velociraptor ook niet vies was van een maaltje dat voor hem was klaargelegd in de vorm van een overleden (of mogelijk zwaar gewonde) pterosauriër. Pterosauriërs waren goede, zeer grote en gevaarlijke zwevers/vliegers, en zullen weinig op de grond hebben gebivakkeerd. Daarom zullen ze zeker geen normale prooi voor Velociraptor zijn geweest.

Toch is nu een bot van een pterosauriër gevonden in het spijskanaal van een Velociraptor die zo’n 75 miljoen jaar geleden in Mongolië leefde. Op zichzelf was het doorslikken van het bot al een prestatie van de Velociraptor, gezien zijn eigen (relatief geringe) formaat en de omvang van het bot. Dit betekent dat deze dino’s in staat moeten zijn geweest om relatief grote botten te verwerken, zoals krokodillen dat nu ook kunnen. Maar makkelijk zal het niet gegaan zijn, want de pterosauriër was groot: zijn spanwijdte moet 2 m of meer hebben bedragen. En omdat pterosauriërs zelf goede jagers waren, lijkt het onwaarschijnlijk dat hij zich zomaar heeft laten opeten. Gewond dus, of (waarschijnlijker) dood.

Het bijzondere fossiel is al in 1994 gevonden, maar pas nu is erover gepubliceerd. Het ingeslikte pterosauriërbot is 75 mm lang en bevindt zich in het Velociraptor-skelet op de plaats waar zijn maag moet hebben gezeten. Opvallend is dat het bot nog glad is en in goede conditie verkeert; er zijn geen tekenen dat het is aangetast door maagzuur. Dat wijst erop dat de pterosaurier voor Velociraptor een galgenmaal betekende: hij moet zijn gestorven voordat zijn maagsappen het bot konden aantasten. Maar dat betekent nog niet dat hij zich in zijn hapje heeft verslikt: zijn ribben vertonen namelijk tekenen dat hij gewond was.


Velociraptor jaagde waarschijnlijk op
grote sauropoden zoals Brontomerus, maar
moesten uitkijken voor harde klappen met de staart.

Referenties:
  • Hone, D., Tsuihiji, T., Watabe, M. & Tsogtbaatr, K., 2012. Pterosaurs as a food source for small dromaeosaurs. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology
  • 331/332, p. 27-30.

1263 Augustus dinomaand (2): ‘Vliegen’plaag voor dino’s
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Een groot lichaam is geen enkele garantie voor een leven zonder vijanden. Zelfs de enorme sauropoden, de plantenetende dino’s met hun lange nek die tientallen tonnen zwaar konden worden, werden geplaagd door andere dieren, waaronder insecten. Sommige van deze insecten waren parasieten die op hun huid leefden (ectoparasieten); er zijn enkele soorten fossiel bekend.


De op een vlieg lijkende ectoparasiet
Pseudopulex jurassicus, ongeveer
10 x zo groot als een hedendaagse vlieg,
voedde zich met bloed van o.a. dino’s.

Twee nieuw beschreven soorten ectoparasiet die het op dino’s gemunt hadden, zijn Pseudopulex jurassicus en Pseudopulex magnus. Deze insecten, die leefden in Binnen-Mongolië, leken enigszins op de huidige vliegen, maar waren tienmaal zo groot. Deze soorten waren relatief breder en platter dan de huidige vliegen, waartoe ze overigens niet behoren: het gaat evenmin om voorouders van de moderne vliegen maar om insecten die behoren tot een groep die inmiddels uitgestorven is. Deze parasieten voedden zich met bloed dat ze ‘prikten’ waar het pantser van dino’s onvoldoende bescherming bood, waarschijnlijk vooral in de zachte onderbuik in ruimtes tussen de schubben. Ze deden dat met een snuit die aangeeft dat ze een prik konden uitdelen die wat betreft effectiviteit te vergelijken moet zijn geweest met moderne injectienaalden. De insecten hadden lange klauwen die groot genoeg waren om de schubben van de dino’s vast te houden, zodat ze een stevig houvast hadden wanneer ze bloed opzogen.

Een interessant aspect is dat alle ‘echte’ moderne vliegen aangepast zijn om zich te voeden met het bloed van warmbloedige gewervelde dieren. Ongeveer 94% van de 2300 bekende soorten vallen zoogdieren aan; de andere soorten doen dat bij vogels. Hoewel geen bewijs, is ook dit weer een aanwijzing dat dino’s waarschijnlijk warmbloedige dieren waren. Omdat de moderne vliegen veel ziektes overbrengen (zoals de builenpest, waaraan zeker in totaal 75 miljoen mensen moeten zijn overleden), lijkt het bovendien waarschijnlijk dat ook deze parasieten dat deden. Ze vormden voor dino’s waarschijnlijk dus een echte plaag.

Referenties:
  • Gao, T.-p., Shih, C.-k., Xu, X., Wang, S., Ren, D., 2012. Mid-Mesozoic flea-like ectoparasites of feathered or haired vertebrates. Current Biology 22, p. 732-735.
  • Poinar Jr, G.O., 2012. The 165-million-year itch. Current Biology 22, p 278-280.

Illustratie: Oregon State University (drawing by Wang Chen).

1264 Augustus dinomaand (3): Een ongelijk einde voor de dino’s
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Gingen de dino’s allemaal ten onder door ‘de grote klap’ op de Krijt/Tertiair-grens of was er sprake van een geleidelijk verdwijnen? Die vraag zorgt al decennia lang voor verhitte debatten. Waarschijnlijk onnodig, zoals blijkt uit recent onderzoek, want het ziet ernaar uit dat de aanhangers van beide zienswijzen gelijk hebben .


Veranderingen in het aantal verschillen (Y-as)in diverse groepen dino’s tijdens de laatste 12 miljoen jaar van het Krijt (figuur S. Brusatte).

Dino’s vormen een zeer uitgebreide groep, met - zoals ook in veel bijdragen aan Geonieuws duidelijk is gemaakt - sterk uiteenlopende vertegenwoordigers. Wat nu is vastgesteld, is daarom eigenlijk helemaal niet zo verwonderlijk: kennelijk hebben degenen die bij het debat over het uitsterven van de dino’s betrokken waren, zich geen tijd gegund om voldoende gedetailleerde bewijzen te verzamelen of om eens goed over de consequenties van hun ideeën na te denken. Nu blijkt namelijk dat sommige groepen dino’s al lang voor het einde van het Krijt - door wat voor oorzaak dan ook - in verval raakten, terwijl andere groepen tot aan de inslag op de K/T-grens bleven bloeien.

Deze bevinding volgt uit onderzoek naar de mate waarin de lichaamstructuur (morfologie) van soorten binnen de diverse groepen dino’s verschilde. Dit is dus een geheel andere benadering dan tot nu toe, waarbij vrijwel uitsluitend werd gekeken naar het aantal soorten binnen een bepaalde groep. Die laatste aanpak is teveel afhankelijk van goede vindplaatsen voor dino-resten, zoals de Great Plains in Amerika. Daardoor is een vertekend beeld ontstaan.

Veel belangrijker voor de vraag of bepaalde groepen bloeiden of juist niet, is de variatie binnen zo’n groep; hoe meer variatie, hoe groter de kans dat vertegenwoordigers van zo’n groep veranderingen van het leefmilieu kunnen overleven. Dat komt vooral door de grote verschillen in de aard van het benodigde voedsel, maar ook door de vorm en grootte van de diverse soorten.


De grote tyrannosauriërs bleven stabiel
tot de K/T-inslag (figuur J. Brougham).

Uit het onderzoek komt naar voren dat hadrosauriërs en ceratopsiden (twee groepen van grote plantenetende dieren die geen hoge eisen stelden aan de aard van hun voedsel) al 12 miljoen jaar voor de K/T-grens in verval raakten. Zowel kleine herbivoren, zoals de ankylosauriërs en de pachycephalosauriërs, alsook vleesetende dino’s, zoals de grote tyrannosauriërs en de veel kleinere coelurosauriërs, en de enorm grote herbivore sauropoden bleven daarentegen relatief stabiel of vertoonden zelfs een kleine toename van hun biodiversiteit tot de K/T-inslag plaatsvond.

Natuurlijk is de werkelijkheid nog gecompliceerder dan het bovengeschetste beeld: de verandering in biodiversiteit had ook een plaatsgebonden aspect. Zo nam de diversiteit van hadrosauriërs in Noord-Amerika geleidelijk af, terwijl die in Azië zelfs op het einde van het Krijt nog toenam. Hoe dan ook, het beeld van een leefgemeenschap die vrij statisch was tot de inslag op de K/T-grens, blijkt onjuist. Er traden tal van veranderingen op binnen de diverse groepen dino’s, waarschijnlijk vooral ten gevolge van veranderingen in hun leefmilieu door zeespiegelfluctuaties, gebergtevorming en andere grootschalige processen.


De kleine, op een vogel lijkende,Troodon
behoorde tot de coelurosauriërs, een groep
vleeseters die stabiel bleven (figuur J. Brougham).

Referenties:
  • Brusatte, S.L., Butler, R.J., Prieto-Márquez & Norell, M.A., 2012. Dinosaur morphological diversity and the end-Cretaceous extinction. Nature Communications 3 (804), doi:10.138/ncomms1815.

Illustraties: American Museum of Natural History, New York, NY (Verenigde Staten van Amerika).

1265 Augustus dinomaand (4) Hoe at Diplodocus?
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Diplodocus, een sauropode uit het Jura, was met zijn lengte van meer dan 30 m een van de grootste dieren die ooit op aarde rondliepen. Zijn gewicht bedroeg ongeveer 15.000 kg. Om dat lichaam te laten functioneren, moest hij dagelijks enorme hoeveelheden voedsel verorberen. Volgens schattingen aten de sauropoden dagelijks ca. 5% van hun lichaamsgewicht; voor Diplodocus zou dat dus zo’n 750 kg geweest zijn.


Diplodocus was een sauropode: een reusachtige planteneter met een lange nek.

Hoe deze reusachtige dieren dergelijke grote hoeveelheden plantaardig materiaal aten, is al lange tijd het onderwerp van discussie. En dat geldt in het bijzonder voor Diplodocus, omdat die met zijn lange snuit en zijn spijkervormige tanden - die alleen voor in zijn bek zaten - een manier van eten moet hebben gehad die heel anders was dan bij moderne herbivoren het geval is.

Om uit te zoeken hoe hij at, hebben onderzoekers een 3-dimensionaal beeld opgesteld van een volledige schedel van het dier. Ze deden dat met behulp van een bekende scanning-techniek (computer-aided tomography). Het zo verkregen 3-D beeld werd vervolgens biomechanisch getest op eenzelfde wijze waarop dat met race-auto’s en vliegtuigen gebeurt. Zo kon worden vastgesteld welke krachten en vervormingen er in de schedel moeten zijn optreden bij verschillende wijzen van eten. Bij te grote krachten of vervormingen zou de schedel uiteraard kapot gegaan zijn, dus zo kon worden vastgesteld welke eetwijzen wél en welke niet mogelijk waren.


De tanden van Diplodocus.


De krachten in een Diplodocus-schedel
gedurende bijten.


Uit het onderzoek bleek dat het dier zonder probleem gewoon kon bijten. Op die manier kan hij echter geen grote hoeveelheden planten hebben gegeten. De vorm van zijn tanden maakte het in principe mogelijk dat hij bast van bomen afraspte, maar dit bleek teveel krachten op zijn tanden te veroorzaken, die daardoor zouden zijn afgebroken. De enige (en logische) wijze van eten die biomechanisch goed mogelijk bleek, was dat Diplodocus boomtakken in zijn mond nam en zijn kop vervolgens terugtrok, zodat de takken tussen zijn tanden door naar buiten kwamen, maar de bladeren die aan de takken zaten in zijn mond achterbleven. Min of meer zoals wij een trosje aalbessen tussen onze tanden doorhalen.


Diplodocus haalde takken met bladeren
tussen zijn tanden door (tekening Dmitry Bogdanov).

Referenties:
  • Young, M.T., Rayfield, E.J., Holliday, C.M., Witmer, L.M., Button, D.J., Upchurch, P. & Barrett, P.M., 2012. Cranial biomechanics of Diplodocus (Dinosauria, Sauropoda): hypotheses of feeding behaviour in an extinct megaherbivore. Naturwissenschaften 99, p. 637-643.

Illustraties: University of Bristol, Bristol (Groot-Brittannië).

1266 Augustus dinomaand (5): Kleren maken de man, veren maakten de dino
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Microraptor was een dino die 120-130 miljoen jaar leefde. Hij had niet alleen veren, maar ook vleugels: vier zelfs. Het was echter nog geen vogel (N.B.: ook de huidige vogels behoren taxonomisch tot de dinosauriërs; daarom wordt als onderscheid bij 'echte' dino's wel gesproken van 'non-avian dinosaurs': 'geen-vogel dinosauriërs'), want hij was dus duidelijk verschillend van moderne vogels. Hij had ongeveer de grootte van een duif, maar had een veel langere staart met aan het einde twee grote veren. De functie daarvan was mogelijk uiterlijk vertoon, vooral om indruk op een partner te maken. Dat blijkt uit onderzoek waarbij zowel het patroon op de veren als de kleur werd vastgesteld. Dat pronkzucht waarschijnlijk en rol speelde, blijkt uit het feit dat de veren van Microraptor iriserend waren met een zekere gloed zoals die nu bij onder meer kraaien aanwezig is. Iriserende veren zijn niet eerder beschreven van fossiel materiaal.


Fossiele Microraptor uit het
American Museum of Natural History.

De aard van het verenkleed, in combinatie met de rangschikking van de staartveren, kan het inzicht verdiepen in de vroege ontwikkeling van een verenkleed en in de rol die patronen in dat verenkleed kunnen hebben gespeeld. Het onderzoek hiernaar kon worden uitgevoerd door de patronen van pigmenthoudende organellen (melanosomen) in een exemplaar van Microraptor te vergelijken met die van moderne vogels.

Melanosomen zijn zeer klein (ruwweg honderdmaal kleiner dan de breedte van een menselijke haar), waardoor er gemakkelijk gedetailleerde patronen mee kunnen worden gevormd. De meeste melanosomen zijn rond of hebben de vorm van een buis. De precieze vorm van een melanoom is verantwoordelijk voor een bepaalde kleur, en dezelfde kleur kan alleen worden veroorzaakt wanneer voldoende melanosomen precies dezelfde vorm hebben. Een iriserende gloed ontstaat wanneer smalle melanosomen een patroon van enkele lagen dik vormen. Bij Microraptor blijkt dit inderdaad het geval.


Een oudere reconstructie van
Microraptor zhaoinsis
(figuur Matt Martyniuk).


De nieuwe reconstructie van Microraptor (
figuur Mick Ellison, AMNH).


Het onderzoek is mede van belang omdat eruit blijkt dat het eerdere beeld van Microraptor onjuist was. Zo werd eerder aangenomen dat de staart van Microraptor een breed, druppelvormig oppervlak had, of dat de staart de vorm van een papieren vliegtuigje had; dat zou geholpen hebben om het luchtruim te kiezen. De nieuwe vondst geeft echter aan dat de staart lang en smal was; met de twee grote veren aan het uiteinde was er dus geen sprake van een vorm die kan hebben geholpen om op te stijgen. De staart moet dus een andere functie hebben gehad. Het kleurenpatroon maakt dan een functie als versiering - waarmee de aantrekkingskracht t.o.v. partners wordt vergroot - dus aannemelijk; net zoals dat bij pauwen het geval is, en net zoals bij pauwen met een geringer vliegvermogen als gevolg.


Reconstructie van Microraptor in
zijn natuurlijke leefomgeving
(figuur Jason Brougham, University
of Texas, Austin).


Het verenkleed van Microraptor moet
op dat van een kraai hebben geleken
(figuur Jason Brougham, University
of Texas, Austin).


Referenties:
  • Li, Q., Gao, K.Q., Meng, Q., Clarke, J.A., Shawkey, M.D., D’Alba, L., Pei, R., Ellison, M., Norell, M.A. & Vinther, J., 2012. Reconstruction of Microraptor and the evolution of iridescent plumage. Science 335, p. 1215-1219.

Illustraties: National Science Foundation en American Museum of Natural History (AMNH), New York (Verenigde Staten van Amerika).

1267 Augustus dinomaand (6): Exploderende ichthyosauriër blijkt mythe
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Het skelet van een vrouwelijke ichthyosauriër dat enkele jaren geleden bij Holzmaden (Duitsland) werd gevonden, heeft paleontologen geruime tijd voor een raadsel gesteld. Het skelet van het dier, dat 182 miljoen jaar geleden leefde, is namelijk zeer goed in zijn geheel bewaard, en de afzonderlijke botten liggen in de anatomisch juiste positie. Dat geldt echter niet voor de botjes van de embryo's die het vrouwtje droeg: die botjes liggen grotendeels verspreid buiten het moederlichaam. Het merkwaardige is dat het 'geval Holzmaden' niet op zichzelf staat: er zijn meer vergelijkbare vondsten bekend.


Het fossiel van de (dus niet) geëxplodeerde ichthyosauriër.

De verklaring was tot nu toe dat zich bij het vergaan van het lichaam van de (door wat voor oorzaak dan ook) gestorven ichthyosauriër in het lichaam gassen ophoopten. Die lieten het lichaam zwellen totdat het uiteindelijk explosief openbarstte. De embryo's zouden daarbij in stukken naar buiten zijn geslingerd. Nader onderzoek heeft nu aangetoond dat dergelijke exploderende ichthyosauriërs een mythe zijn.

Dat onderzoek was proefondervindelijk. Mensen zijn ongeveer even groot als ichthyosauriërs. Bij het vergaan worden daarom naar alle waarschijnlijkheid ongeveer gelijke hoeveelheden gas gevormd. Op het forensisch-medisch instituut in Frankfurt werd bij honderd lichamen van overleden mensen waarvan de doodsoorzaak moest worden vastgesteld, gemeten hoe groot de inwendige druk was als gevolg van vrijkomende gassen. Die druk bleek slechts 3500 pascal (0,035 bar). Dat betekent dat bij de dode ichthyosauriër die in water van 50-150 m diep lag, de gassen tot een druk van 1,5 miljoen pascal (15 bar) zouden moeten hebben leiden om een explosie te kunnen veroorzaken. Het ontstaan van zulke hoge drukken is echter bij grote gewervelde dieren onmogelijk. Dit geldt waarschijnlijk voor alle gewervelde dieren die via hun longen ademen.


Ichthyosauriërs waren goed gestroomlijnde jagers.

Wat kan dan de merkwaardige situatie van Holzmaden hebben veroorzaakt? Normaal zou een gestorven ichthyosauriër die naar een diepe bodem zinkt, daar vergaan of - waarschijnlijker - grotendeels door aaseters worden verorberd. In water tot slechts zo'n 50 m diep en een temperatuur van boven 4 0C kunnen lichamen echter wel weer naar het wateroppervlak stijgen vanwege de gassen die in het lichaam worden gevormd. Aan het wateroppervlak worden ze blootgesteld aan golven en aaseters, en vergaan ze binnen enkele dagen tot enkele weken, waarna de botten weer zinken en verspreid op de bodem terechtkomen.

Het feit dat de mysterieuze skeletten vrijwel ongestoord bewaard bleven, wijst op bijzondere omstandigheden: gebrek aan zuurstof, niet te ondiep water, en geen bodemstromen van enige betekenis. Daarom waren er geen aaseters en steeg het karkas niet naar het wateroppervlak. De botten van de ichthyosauriër-moeder waren kennelijk te groot (= te zwaar) om door de geringe bodemstromen te worden meegevoerd. De kleine botjes van de embryo' konden wel getransporteerd worden.

Het is een logische verklaring. Maar echt overtuigend vind ik hem niet: waarom werden bijv. geen (relatief kleine en lichte) wervels van het moederdier door de stromen afgevoerd? En waarom werden de botjes van de embryo's weer in de directe nabijheid van het moederdier neergelegd? En waarom komt deze samenloop van omstandigheden kennelijk vaker voor? Een mythe is wellicht ontzenuwd, maar het raadsel lijkt me nog niet helemaal opgelost.

Referenties:
  • Reisdorf, A.G., Bux, R., Wyler, D., Benecke, M., Klug, C., Maisch, M.W., Fornaro, P. & Wetzel, A., 2012. Float, explode or sink: post-mortem fate of lung-breathing marine vertebrates. In: M. Wuttke & A.G. Reisdorf (red.): Taphonomic processes in terrestrial and marine environments. Palaeobiodiversity and Palaeoenvironments 92, p. 67-81.

Foto en tekening van de fossiele ichtyosauriër: H. Tischlinger / Jura Museum, Eichstätt (Duitsland).

1268 Augustus dinomaand (7): Beschimmelde dino-eieren
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

In Patagonië is een bijzonder dino-nest gevonden. Het bevat niet alleen botten maar ook unieke eieren van een nog steeds raadselachtige, op een vogel gelijkende dino. Het gaat om een nest van Bonapartenykus ultimus, een vertegenwoordiger van de Alvarezsauridae. De 70 miljoen jaar oude fossiele resten vormen de laatst bekende vertegenwoordigers van deze slecht bekende groep, niet alleen voor Zuid-Amerika, maar ook voor Gondwana, het zuidelijke supercontinent dat tijdens het Mesozoïcum bestond.


Het ei van Bonapartenykus met de
unieke microstructuur van de eierschaal
(foto Fernando Novas).


Van de alvarezsauriden is relatief weinig bekend. Het waren gevederde, op twee poten lopende dino's. Ze zijn bekend uit Azië en uit Noord- en Zuid-Amerika. Ze werden in het algemeen zo'n 0,5-2,5 m groot en ze leken - in het bijzonder wat hun schedel betreft - op vogels. Ze hadden kleine kaken met tanden, en ze hadden een stevig postuur met opvallend korte voorpoten, met aan een van hun 'vingers' een enorme klauw. Bonapartenykus ultimus was een uitzonderlijk grote soort: vertegenwoordigers konden 2,6 m groot worden. Het geslacht is niet vernoemd naar Napoleon, maar naar José Bonaparte, die in 1991 de eerste alvarezsauride in Patagonië ontdekte.

Wat het nest bijzonder maakt, is dat het niet alleen twee eieren bevat, maar ook botten uit een achterpoot. Dat lijkt erop te wijzen dat het moederdier ter plaatse is gestorven, waarschijnlijk nog met beide eieren in de eileider. Anderzijds wijzen talrijke eierschalen die later werden gevonden erop dat er een aanzienlijke onttrekking van calciet aan de binnenste laag van de eierschaal heeft plaatsgevonden, wat erop wijst dat op zijn minst een deel van de eieren was uitgebroed en dat de embryo's in een gevorderd stadium van ontwikkeling verkeerden.


Reconstructie van Bonapartenykus
by hun nest (figuur Gabriel Lio).

De eierschalen zijn op zichzelf ook bijzonder: analyse toonde aan dat ze niet kunnen worden ingedeeld in bestaande groepen die zijn gebaseerd op de microstructuur van eierschalen. Daarom is een nieuwe 'eierfamilie', de Arraigadoolithidae, voorgesteld. Maar er is meer: met een scanning electron microscoop werden ongewone (gefossiliseerde) objecten in de luchtkanaaltjes van de eierschalen gezien. Het gaat waarschijnlijk om schimmels. In dat geval zou het gaan om de eerste vondst van dino-eieren die door schimmels zijn aangetast.

Referenties:
  • Agnolin, F.L., Powell, J.E., Novas, F.E. & Kundrát, M., 2012. New alvarezsaurid (Dinosauria, Therapoda) from uppermost Cretaceous of north-western Patagonia with associated eggs. Cretaceous Research 35, p. 33-56.

Illustraties: Universiteit van Uppsala, Uppsala (Zweden).

1269 Augustus dinomaand (8): Een gevederde dino vermomd als eekhoorn
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Dat er gevederde dinosauriërs hebben bestaan, is geen nieuws. Dat die in veel gevallen op vogels leken, ook niet. Maar nu blijkt dat sommige op zoogdieren leken, en wel op een eekhoorn. Dat blijkt uit de vondst (al jaren geleden, maar nu pas openbaar gemaakt) van een zeer jong exemplaar (eigenlijk nog maar een baby) dat vanwege zijn gelijkenis met een eekhoorn - vooral wat betreft zijn staart - de geslachtsnaam Sciurumimus heeft gekregen (Sciurus is een eekhoorn). Zijn soortnaam is alberdoerferi, naar de verzamelaar die het fossiel voor wetenschappelijk onderzoek beschikbaar stelde. Sciurumimus leefde zo’n 150 miljoen jaar geleden (Laat-Jura) en het fossiel werd gevonden in de goed splijtbare Solnhofener Plattenkalke, waaruit inmiddels vele beroemde en goed gepreserveerde fossielen zijn gekomen, onder meer Archaeopteryx.


Het complete skelet van Sciurumimus
albersdoerferi
.


Onder ultraviolet licht wordt de staart
goed zichtbaar.


Sciurumimus is in diverse opzichten uitzonderlijk. Hij behoort tot de theropode dino’s, op twee poten lopende, meestal vleesetende soorten. Veel van deze theropode dino’s blijken veren (soms donsachtige veertjes) te hebben gehad, maar dat geldt alleen voor de coelosauriërs, een groep waarvan de huidige vogels afstammen (en in feite taxonomisch toe behoren), maar waarvan ook Tyrannosaurus rex deel uitmaakte. Sciurumimus is echter geen coelurosauriër maar een megalosauriër, en dus de eerst ontdekte niet-coelurosauriër met veertjes. Omdat Sciurumimus veel meer onderin de dino-stamboom zit dan de coelurosauriërs, is het te verwachten dat ook veel latere dino’s - waarvan we dat (nog?) niet weten - veren hebben gehad. De donsveertjes zijn op het fossiel niet direct goed te herkennen. Onder ultraviolet licht lichten de huid en de veertjes echter op als gekleurde plekken rondom het skelet.


Zelfs de wervels zijn goed geconserveerd.


De schedel met de scherpe tanden.


Het skelet van deze baby-dino is het meest complete van een vleesetende dino dat ooit in Europa is gevonden. Dat het om een baby gaat, is onder meer op te maken uit de grote ogen. Er bestaan al langer aanwijzingen dat vleesetende dino’s hun leefwijze sterk veranderden naarmate ze verder groeiden. De Sciurumimus-baby heeft een gebit dat sterk afwijkt van dat van andere bekende volwassen megalosauriërs. Dat wijst op een verschil in voedsel (wat weer een nieuwe aanwijzing is voor veranderend gedrag tijdens de groei). Uit de sterk puntige tanden voorin zijn kaken is af te leiden dat de baby-dino waarschijnlijk op insecten en andere kleine prooidieren jaagde. Met zijn grootte van 70 cm kon hij natuurlijk geen grote dieren aanvallen. Volwassen megalosauriërs werden wel 7 m groot en konden een gewicht van een ton bereiken. Ze beschouwden waarschijnlijk ook andere dino’s als prooi. Maar zover heeft de Sciurumimus-baby het nooit gebracht.


Reconstructie van een jong van
Sciurumimus (figuur Arkady Rose).


Reconstructie van een volwassen exemplaar
(figuur Viergracht).


Referenties:
  • Rauhut, O.W.M., Foth, Ch., Tischlinger, H. & Norell, M.A., 2012. Exceptionally preserved juvenile megalosauroid theropod dinosaur with filamentous integument from the Jurassic of Germany. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America 109, p. 11746-11751.

Foto’s: H. Tischlinger, Jura Museum, Eichstätt (Duitsland)

1270 Augustus dinomaand (9): Opvallend grootte-record voor gevederde dino’s
Auteur: prof. dr. A.J. (Tom) van Loon, AMU, Poznan

Klik hier voor alle artikelen over (Dino)sauriers ! Klik hier voor alle artikelen over Paleontologie, Fossielen & Uitstervingen !

Steeds meer dino’s blijken veren te hebben gehad. Op grond van verwantschappen wordt dat ook voor tal van andere dino’s aangenomen, ook voor grote soorten zoals Tyrannosaurus rex. Daarvoor bestaat echter geen direct bewijs: alle fossiele dino’s waarbij veren (of haarachtige structuren) zijn aangetroffen, zijn betrekkelijk klein. Het grootte-record werd tot nu toe gehouden door Beipaosaurus, een soort die een kleine 40 kg woog. Nu zijn echter drie vrijwel complete skeletten gevonden van een nieuwe grote dinosoort - de lengte moet ongeveer 9 m hebben bedragen en het gewicht moet ongeveer 1400 kg zijn geweest - die ook veren heeft gehad.


De schedel van Yutyrannus.


Enkele staartwervels.


De dino waarom het gaat is Yutyrannus huali (de prachtige gevederde heerser). Hij leefde, net als Beipaosaurus, omstreeks 125 miljoen jaar geleden (Aptien) in de Yixian-Formatie in de provincie Liaoning (waar veel exceptionele dino-fossielen vandaan komen), in het noordoosten van China. Hij wordt door de onderzoekers bij de Tyrannosauroidea ingedeeld. Het grootste (9 m lange) exemplaar dat is gevonden betreft een volwassen dier. De twee andere exemplaren zijn kleiner; omdat sommige stukken van hun wervels nog niet volledig zijn vergroeid, nemen de onderzoekers aan dat het om nog jonge dieren gaat. Het gewicht van deze jonge dieren wordt op ongeveer 500 kg geschat.

Alle drie exemplaren hadden haarachtige veren van minstens 15 cm lang. Bij het volwassen exemplaar zijn ze vooral aan het eind van zijn staart aanwezig. Bij een van de jonge dieren is dat vooral langs de nek en de voorpoten, terwijl ze bij het andere jong vooral bij de heup en de voeten zichtbaar zijn. Waarschijnlijk betekent dit dat de dieren min of meer helemaal met de haarachtige veren bedekt zijn geweest.


Reconstructie van Yutyranus huali (
figuur Brian Choo).


Interpretatie van het uiterlijk van
de kop (figuur Maya Karala).


Bij dergelijk zware dieren kan er geen sprake zijn geweest van een vliegvermogen. De veren (die daartoe ook niet de geschikte vorm hebben) kunnen daarbij dus geen rol hebben gespeeld. Dat doet opnieuw de vraag rijzen waartoe de veren gediend kunnen hebben. Voorlopig gaat men ervan uit dat ze hielpen bij het geven van signalen (bijv. om een partner aan te trekken t.b.v. voortplanting; zie ook Geonieuws 1266), maar niet geheel kan worden uitgesloten dat de veren een isolatielaag vormden die beschermde tegen de kou: de jaarlijks gemiddelde temeratuur destijds ter plaatse bedroeg slechts 10 0C zoals blijkt uit een analyse van de verhouding tussen de diverse zuurstofisotopen in de tanden van Yutyrannus.

Referenties:
  • Xu, X., Wang, K., Zhang, K., Ma, Q., Xing, L., Sullivan, C., Hu, D., Cheng, S. & Wang, S., 2012. A gigantic feathered dinosaur from the Lower Cretaceous of China. Nature 484, p. 92-95.

Foto’s: Xing Xu.


Copyright © NGV 1999-2017
webmaster@geologischevereniging.nl